Met de opmars van de elektrische auto leken sommige aandrijvingen ten dode opgeschreven. Klassieke hybrides zonder stekker (vaak afgekort als HEV’s) hoorden daarbij, zeker met het geplande verbod op verbrandingsmotoren tegen 2035. Intussen heeft Europa zijn strategie echter bijgestuurd, met ruimte voor een langer gebruik van verbrandingsmotoren op synthetische of “groene” brandstoffen. En daar komt nu nog een extra factor bij: de opvallende comeback van de klassieke hybride, aangevuurd door Chinese constructeurs.
Constructeurs als Changan, Geely en Chery lanceren tegelijk nieuwe hybridesystemen en geven zo een nieuw elan aan een technologie die Toyota al die tijd is blijven verdedigen. Niet zonder reden: in 2025 verkocht Toyota 11,3 miljoen voertuigen, waarvan maar liefst 42% klassieke hybrides, goed voor zo’n 4,7 miljoen stuks. Het bewijst dat de wereldmarkt nog altijd sterk gelooft in deze oplossing.
Chinese automakers revive HEV strategy in 2026, focusing on cost, global markets, and new architectures distinct from Toyota hybrids.
— CarNewsChina.com (@CarNewsChina) April 8, 2026
????https://t.co/atsdkfHJmv
Andere aanpak
Nu, je moet niet denken dat de Chinezen simpelweg Toyota proberen te kopiëren. Het systeem van de Japanse constructeur is gebaseerd op een planetaire tandwielset, een soort “centrale as” waarin de krachten van de verbrandingsmotor en de elektromotor samenkomen. Daardoor kan elke motor op zijn eigen toerental draaien, volledig onafhankelijk van de andere energiebronnen. Los van de kritiek die soms wordt geuit op het “CVT-achtige” rijgevoel van deze technologie, moet je erkennen dat ze ronduit briljant is en op het vlak van efficiëntie eigenlijk geen gelijke kent.
De nieuwe Chinese hybride architecturen kiezen echter voor een radicaal andere aanpak: de zogeheten DHT (Dedicated Hybrid Transmission). Dat is een slimme combinatie van serie- en parallelhybride, met een koppeling als sleutelcomponent.
Concreet werkt zo’n DHT volgens drie modi, die automatisch worden aangepast aan de rijomstandigheden. Bij het wegrijden en aan lage snelheden werkt de verbrandingsmotor niet en zorgt enkel de elektromotor voor de aandrijving, net zoals bij een volledig elektrische auto.
Wanneer de energievraag toeneemt, bijvoorbeeld bergop, met belading of bij hogere snelheden in de stad, springt de verbrandingsmotor bij. Maar hij fungeert dan uitsluitend als generator: hij wekt elektriciteit op om de elektromotor te voeden, zonder rechtstreeks de wielen aan te drijven. Deze eerste twee modi werken dus in serie. Op de snelweg of bij constante snelheid verandert dat. Dan grijpt de koppeling in en wordt de verbrandingsmotor mechanisch met de wielen verbonden. Dat is de parallelmodus, waarbij energieverliezen door dubbele omzetting worden vermeden.
Komt deze methode je niet bekend voor? Inderdaad. Ze bestaat namelijk al bij Honda sinds 2019 en werd zelfs al eerder toegepast op de Honda Accord in de Verenigde Staten vanaf 2014, en daarna op de Honda CR-V i-MMD uit 2018 die ook in Europa werd verkocht.
Economische logica
Als Chinese constructeurs deze architectuur in 2026 omarmen, is dat in de eerste plaats een economische keuze. Een klassieke hybride (HEV) heeft immers slechts een batterij van 1 tot 2 kWh, tegenover 10 tot 20 kWh voor een plug-inhybride en 50 kWh of meer voor een volledig elektrische auto. In een markt waar prijzen onder druk staan en marges steeds dunner worden, is dat een doorslaggevend voordeel. Deze strategie moet vooral de competitiviteit van de modellen vrijwaren.
Daarnaast is het belangrijk te benadrukken dat in de seriemodi (de eerste twee werkingsstanden dus) de elektromotor volledig instaat voor de aandrijving. De verbrandingsmotor levert op dat moment geen enkele mechanische bijdrage. Dat verklaart ook waarom de elektromotoren in Chinese systemen duidelijk krachtiger zijn dan bij Toyota: ze leveren doorgaans tussen 130 en 180 kW, tegenover ongeveer 100 kW bij de Japanse referentie.
Tot slot sluit dit systeem, voor een deel van de rijcyclus, aan bij de logica van EREV’s (Extended Range Electric Vehicles): elektrische auto’s met een range extender, waarbij de verbrandingsmotor uitsluitend stroom opwekt en de elektromotor de aandrijving verzorgt.
Maar zijn die Chinese hybrides ook echt efficiënt? Volgens Changan wel: de Eado-berline zou in stadsverkeer slechts 2,98 liter per 100 kilometer verbruiken, terwijl de CS75 Plus SUV op 3,54 liter per 100 kilometer uitkomt. Die cijfers zijn wel gemeten volgens de Chinese CLTC-cyclus.
Omgerekend naar de Europese WLTP-norm komt dat neer op respectievelijk 3,7 liter per 100 kilometer en 4,4 liter per 100 kilometer. Nog altijd bijzonder competitieve waarden en zelfs licht beter dan vergelijkbare hybrides van Toyota, zoals de Corolla (4,7 l/100 km) en de nieuwe RAV4 Hybrid (4,9 l/100 km).
Europa als volgende stap?
Het is zeer waarschijnlijk dat deze technologie zich niet tot de Aziatische markt beperkt, ook al mikken Europese beleidsmakers op een volledige overstap naar elektrisch rijden. China is intussen uitgegroeid tot de trendsetter in de auto-industrie: wat daar vandaag wordt ontwikkeld, verschijnt morgen op andere markten en vaak tegen prijzen waar westerse merken moeilijk tegenop kunnen.
Dat patroon zagen we al bij elektrische auto’s, bij verbrandingsmotoren en bij plug-inhybrides. Binnenkort geldt dat wellicht ook voor modellen met een range extender (EREV). De opmars van klassieke hybrides zou dus wel eens hetzelfde traject kunnen volgen.
Wat daarbij vooral opvalt: Chinese constructeurs komen uit bij een aanpak die Toyota al twintig jaar verdedigt. De toekomst van de auto ligt niet in één enkele technologie, maar in een mix van oplossingen die is afgestemd op gebruik, markt en context, eerder dan op ideologie.

