Vandaag, met vermogensbanken die gemakkelijk toegankelijk zijn, nauwkeurige tests en gespecialiseerde fora, riskeert een constructeur die zijn cijfers opsmukt snel ontmaskerd te worden… en zijn geloofwaardigheid te verliezen. Sterker nog: de vermogens die fabrikanten vandaag opgeven, zijn vaak eerder een minimum. Maar er was een tijd waarin de droom die in de brochure werd verkocht mijlenver van de werkelijkheid lag. Tijd om de sjoemelaars van vroeger aan te wijzen…
Waarom sjoemelden constructeurs?
Omdat vermogen altijd tot de verbeelding sprak. Een indrukwekkend cijfer in een brochure was een krachtig verkoopargument in een tijd waarin snelheid echt verkocht. Denk maar aan een Ferrari met 300 pk, een Jaguar die de 200 km/u overschreed of een muscle car met meer dan 400 pk. Mooie, ronde cijfers die indruk maakten op het grote publiek. Een paar pk meer dan de concurrent en je had al een troef in handen om kopers te verleiden, hun ego te strelen en dus… een hogere prijs te rechtvaardigen. Eerlijk is eerlijk: het ging niet altijd om pure fraude. Soms waren er gewoon andere meetnormen of motoren die onder ideale omstandigheden getest werden. Kortom: sommige constructeurs logen een beetje, anderen profiteerden vooral van een bijzonder gunstig systeem…
SAE-normen: het gouden tijdperk van optimistische cijfers
Jarenlang, vooral in de Verenigde Staten, werd vermogen gemeten op een motor op een testbank, zonder luchtfilter, zonder volledige uitlaat en zonder aangedreven accessoires (SAE Gross-norm). Logisch dat de cijfers in die omstandigheden erg flatterend waren. Ook heel wat Europese constructeurs maakten daar handig gebruik van en bleven bewust vaag over de gebruikte meetmethode…
In 1972 schakelde men over naar de SAE Net-norm, die veel dichter bij de realiteit lag. Alleen al die overstap deed sommige auto’s op papier tientallen pk verliezen. Samen met strengere emissienormen en verzekeringen verklaart dat (deels) de spectaculaire terugval van muscle cars. Zo verloren de big blocks van Chevrolet en Ford soms meer dan 100 pk: van meer dan 400 pk aangekondigd naar minder dan 300… Al waren de verschillen in werkelijkheid vaak minder groot.
GT’s uit de gouden jaren: mooie ronde cijfers
In de wereld van de grote Europese GT’s uit de jaren vijftig en zestig, net als vandaag, diende vermogen niet alleen om te informeren, maar ook om prestige uit te stralen… en om de concurrent een tik uit te delen. In die context werden cijfers soms naar boven afgerond tot het volgende tiental… en soms zelfs nog veel verder.
Beginnen we met een mythe? Jaguar bijvoorbeeld gaf maar liefst 265 pk op voor zijn E-Type. Dat gebeurde volgens die bekende SAE-norm, wat theoretisch neerkomt op zo’n 220 DIN-pk, de Duitse norm die toen gold voor Europese auto’s. In werkelijkheid blijft zelfs dat laatste cijfer licht optimistisch: een standaard E-Type -motor die correct gereviseerd is, levert zelden meer dan 190 à 200 pk.
Zelfde verhaal bij Aston Martin met de mythische DB5. Het merk gaf een vermogen van 282 DIN-pk op, een cijfer dat Aston vandaag nog altijd in zijn officiële geschiedenis gebruikt. Maar ook dit is pure fantasie. Zet vandaag een exemplaar op de vermogensbank en je mag je al héél gelukkig prijzen als er nog 250 pk overblijft onder de motorkap.
En aan de andere kant van de Alpen? Even vloeken in de kerk: zelfs Ferrari deed eraan mee. De eerste ‘industriële’ GT van het merk, de 250 GT, werd opgegeven met ongeveer 240 pk, althans in zijn braafste versies. Eerlijk gezegd mag je eerder rekenen op ongeveer 200 pk… De 275 GTB die volgde en vandaag een miljoenenicoon is, pakte uit met 280 pk, zelfs 300 pk met zes carburateurs. Mooie, ronde cijfers die indruk maken. Trek er gerust een vijftigtal pk af… De modellen die daarna kwamen, zaten gelukkig dichter bij de werkelijkheid.
Eén motor, meerdere vermogens
Nog bij Ferrari verdient de beroemde V6 met de naam ‘Dino’ eigenlijk een artikel op zich. Afhankelijk van of hij in de bekende Dino van Ferrari lag of in een van de Fiat Dino-modellen, kon deze motor tot 20 pk winnen… of verliezen. We dagen je uit om ze te vinden… Hetzelfde verhaal bij Maserati: de V6 in de Citroën SM werd opgegeven met 170 pk. Specialisten zullen je vertellen dat een seriemotor hooguit 135 à 140 pk levert. Grappig detail: vandaag gebruiken ze dat als excuus om te verklaren waarom hun aanpassingen geen homologatie krijgen… Een aangepaste en opgevoerde SM-motor haalt immers gewoon het fabriekscijfer. Goed om te weten: dezelfde motor, tot in de puntjes afgesteld door Maserati voor gebruik in de Merak, was een stuk krachtiger.
En Lamborghini dan? De bekende 4.0 V12 van het merk, die in een hele reeks modellen lag, werd vaak aangekondigd met 350 pk. Sommige specialisten noemen dat een grove overdrijving, terwijl anderen vinden dat een goede motor zo’n 325 pk moet leveren. Omdat we geen Lamborghini bij de hand hebben, kunnen we daar moeilijk over oordelen… Eén ding staat wel vast: doorheen zijn evoluties won de Miura pk’s en ging hij op papier van 350 naar 385 pk. “Een winst die simpelweg ontstond door de brochure opnieuw te drukken”, aldus specialist Simon Kidston.
De recente jaren: wanneer overdrijven een publiek probleem wordt
We zeiden het al: vandaag is het spel een stuk riskanter, want klanten controleren. Een bekend voorbeeld? De Ford Mustang SVT Cobra uit 1999. Ford kondigde 320 pk aan, maar tests en feedback van klanten maakten al snel duidelijk dat er iets niet klopte. Op de vermogensbank bleken er een veertigtal paarden te ontbreken. De zaak kreeg zoveel aandacht dat Ford een correctiecampagne opstartte, met als duidelijk doel dat elke aangepaste auto effectief meer vermogen zou leveren dan beloofd. Hier was geen sprake meer van de onschuld van de jaren zestig: een constructeur werd op heterdaad betrapt.
Uiteindelijk, zoveel decennia later, is dit alles niet echt teleurstellend en draagt het eerder bij aan de charme van deze schoonheden uit een andere tijd, toch?
Ontdek alle oldtimers op Autoclassic.be

