Met de verkoop van meer dan 100.000 voertuigen in december vorig jaar hebben Chinese autofabrikanten een historisch marktaandeel van 9,5% bereikt op de Europese automarkt. Die stijging, een verdubbeling ten opzichte van het jaar voordien, markeert meer dan een louter commercieel succes: het luidt een fundamentele verschuiving in binnen de Europese auto-industrie.
Terwijl Europese beleidsmakers en bedrijven hun positie trachten te herdefiniëren, tekent zich een spanningsveld af tussen technologische afhankelijkheid en strategische autonomie. Voor de auto-industrie groeit de batterij stilaan uit tot het belangrijkste wapen.
Zachte landing
Na maanden van diplomatieke druk en bezorgdheid over ‘dumpingpraktijken’ bereikten de Europese Unie en China in januari een akkoord over prijsverbintenissen voor Chinese elektrische voertuigen. Naast importheffingen voorziet het akkoord in een minimumprijs, wat Chinese fabrikanten een voet tussen de deur geeft, zonder de Europese markt te overspoelen. Volgens de Duitse auto-expert professor Ferdinand Dudenhöffer is dat een verstandige zet. “De beschuldiging van dumping is onterecht,” stelt hij. “Chinese wagens zijn in Europa duurder dan in China door de lagere volumes en hoge marketingkosten. Het probleem zit elders.”
Dudenhöffer is directeur van het Center for Automotive Research in het Duitse Bochum, bekend om zijn scherpe analyses van de autosector. Hij ziet in de samenwerking met China eerder een noodzakelijke strategische keuze dan een bedreiging. “De industriële sterke punten van beide landen kunnen worden gecombineerd. Waar Duitsland uitblinkt in chassisontwerp en materiaalkwaliteit, biedt China ongeëvenaarde efficiëntie op vlak van batterijen en digitalisering.”
Batterijkloof
De grootste kloof bevindt zich zonder twijfel in die batterijtechnologie. Europa loopt, volgens Dudenhöffer, minstens twintig jaar achter. “Meer dan 70% van de batterijen voor EV’s in Europa in 2025 komt uit China. Europese producenten zoals Northvolt zitten in vieze papieren, terwijl CATL en BYD hun productie op Europese bodem al opstarten.”
Die dominantie is niet toevallig. Chinese producenten slagen erin batterijen tot 30% goedkoper te produceren, en hanteren voor hun auto’s ontwikkelcycli die de helft korter zijn dan die van hun Europese tegenhangers (iets wat Volvo tijdens de presentatie van de EX60 trouwens ontkrachtte). Dat vertaalt zich in schaalvoordeel, snelheid en marktpenetratie. “We kunnen veel leren van ‘Chinese efficiëntie’,” aldus Dudenhöffer.
Maar maakt de Europese batterij-industrie nog wel een kans tegenover de Chinese overmacht, nu Northvolt bijna helemaal in de touwen ligt? Er rijzen weldegelijk nog Europese batterijfabrieken uit de grond. Bedrijven als PowerCo, Verkor en ACC zijn operationeel, en het Belgische Umicore produceert sinds kort kathodes in Polen. Volgens de EU zouden Europese gigafabrieken tegen 2030 samen een capaciteit van 600 GWh kunnen bereiken, wat goed moet zijn voor ongeveer acht miljoen wagens per jaar.
Maar de praktijk is weerbarstiger. Een aanzienlijk deel van die fabrieken draait op een fractie van hun capaciteit en in veel gevallen werd geplande uitbreiding naar onderen bijgesteld. Daardoor blijft Europa grotendeels afhankelijk van invoer uit China en Zuid-Korea, met alle geopolitieke risico’s van dien. Het is bovendien opvallend dat de Unie wel douanetarieven heft op elektrische auto’s maar niet op batterijencellen of -packs waarvan de productie evengoed gesteund worden door staatssubsidies.
Werken aan erkenning
Toch groeit in Brussel het besef dat politiek dringend moet volgen op industriële ambities. De aangekondigde Industry Accelerator Act (verwacht voor eind februari) moet duidelijkheid brengen over lokale productieverplichtingen voor elektrische auto’s die in aanmerking willen komen voor subsidies. Cruciaal daarbij is de definitie van ‘made in Europe’: volstaat assemblage binnen de EU, of moeten ook kerncomponenten zoals kathodes en actieve materialen lokaal worden geproduceerd?
“Als we geen duidelijke eisen stellen, riskeren we dat Chinese dominantie zich gewoon verplaatst van invoer naar binnenlandse productie,” klinkt het binnen de Europese Commissie. Bedrijven als Volkswagen en Stellantis steunen de plannen grotendeels, al zijn ze bezorgd over de impact op hun eigen planning. Andere, zoals BMW, verzetten zich.
Duidelijk is dat Chinese producenten hun greep op de Europese markt verder verstevigen. Naast technologische voorsprong richten ze zich steeds meer op merkuitbouw en klantbeleving. En dat is nodig. “In Duitsland zijn consumenten trouw aan merken met geschiedenis. Chinese fabrikanten moeten daarin investeren om blijvende erkenning te krijgen”, besluit Dudenhöffer.

