Was het nu 2020, 2021 of 2050? Als het over kweekvlees gaat, regent het profetische voorspellingen over wanneer we eindelijk in die in-vitrohamburger bijten. Sciencefiction is het in elk geval niet meer: een handvol start-ups strijden mee in de race om het eerste kweekvlees op ons bord. Maar hoe ver staat de wetenschap vandaag echt?
Maastricht, 3 augustus 2013. De Nederlandse professor farmacologie Mark Post fietst zoals elke dag van de universiteit naar huis. Een routineus fietstochtje, ware het niet dat hij op zijn bagagedrager een kartonnen doos vastgemaakt heeft die 250.000 euro waard is. Post vervoert de allereerste kweekhamburger ter wereld, klaar om de volgende dag in Londen voor te stellen op een internationale persconferentie. ‘Waarom vervuilen? Mijn fiets doet het prima!’, repliceert hij vrolijk op de vraag waarom hij geen taxi nam.
Post was de eerste die een in het labo vervaardigd stuk vlees aan de wereld kon voorstellen, maar de interesse vanuit de wetenschap bestaat al langer. In 1932 voorspelde Winston Churchill al dat we ‘binnen vijftig jaar zullen ontsnappen aan de absurde regeling dat we een hele kip moeten kweken om een borst of vleugel te kunnen eten, door die onderdelen apart te produceren in een geschikt medium’.
Het eerste patent op het principe van labovlees werd door de intussen overleden arts en onderzoeker Willem van Eelen verkregen in 1999. Veertien jaar later slaagde Mark Post erin het eerste prototype te ontwerpen. Je neemt daarbij met een biopsie stamcellen weg uit de spiermassa van een dier, waarvoor de kip, koe of het varken in kwestie niet geslacht hoeft te worden. Vervolgens ga je de cellen in een labo laten vermeerderen en ervoor zorgen dat die grote hoeveelheid cellen samenklitten tot strengen spierweefsel.
‘Kweekvlees zou 99% minder landbouwgrond en tot 96% minder water gebruiken’
‘Uit één monster van een koe kunnen in theorie 800 miljoen strengen spierweefsel ontstaan’, aldus Post. Een hoeveelheid goed voor 80.000 hamburgers van 100 gram volgens Mosa Meat, de start-up die professor Mark Post in 2016 oprichtte met als doel kweekvlees te commercialiseren. Het grote verschil met plantaardige alternatieven, zoals vegetarische burgers of gehaktballen, is dat het zogenaamde cultured meat wel op basis van ‘echt’ vlees gemaakt wordt en dus eerder op vleesliefhebbers dan vegetariërs mikt.
Kweekvlees wil een deel van de oplossing aanreiken voor de 9 à 10 miljard monden die we tegen 2050 zullen moeten voeden. Dat terwijl intensieve landbouw en veeteelt ons aardoppervlak steeds verder uitputten en de consumptie van vlees wereldwijd in een gezapiger tempo afneemt dan goed is voor onze planeet. Sterker nog: in landen als China en Indië begint de interesse in vlees net toe te nemen.
Volgens een onderzoek aan de universiteit van Oxford uit 2011, dat werd gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Environmental Science & Technology, zou het kweken van rundvlees in labo’s 99 procent minder landbouwgrond inpalmen en 78 tot 96 procent minder water verbruiken dan traditionele landbouw. Bovendien zou met de afbouw van de veestapel ook de uitstoot van vervuilende methaangassen sterk ingeperkt worden. Daarnaast benadrukken voorstanders van kweekvlees de voordelen voor dierenwelzijn en onze eigen gezondheid. Een andere potentiële troef is het inperken van voedselverspilling, doordat je vlees op maat kunt maken zonder voedseloverschotten, waarbij maar een deel van de koe wordt benut.
De race om kweekvlees
‘Tegen 2020 ligt kweekvlees op ons bord’, luidde het steeds optimistisch de voorbije jaren, zowel bij de eerste start-ups als in de media. Die nakende deadline blijkt anno 2019 te ambitieus, maar in labo gekweekt vlees raakte wel van zijn sciencefiction-imago verlost. De race om kweekvlees als eerste van het laboratorium naar ons bord te verplaatsen, is sinds 2015 in een stroomversnelling geraakt. Vandaag zijn er wereldwijd een dertigtal start-ups die de ambitie delen om gekweekte kipnuggets, hamburgers, gehaktballen, fishsticks en zelfs foie gras op de markt te brengen.
Start-up Memphis Meats uit Silicon Valley is een van hen, een pionier die sinds eind 2015 als doel heeft kweekvlees te commercialiseren. Oprichter en CEO Uma Valeti, een cardioloog van opleiding, wist in februari 2016 de eerste gekweekte gehaktbal te fabriceren en het potentiële prijskaartje ervan te doen dalen. Met een geschatte productieprijs van 1.200 dollar nog steeds een prijzig hapje, maar in vergelijking met Posts hamburger van 250.000 euro een sterke daling in drie jaar tijd. Het jaar daarna rolden kip en ‘canard à l’orange’ uit hun labo. Koren op de molen voor Memphis Meats is dat ze snel de interesse wisten te wekken van grote investeerders. In 2017 rijfde het bedrijf maar liefst 17 miljoen dollar binnen met bijdragen van onder meer Bill Gates, Richard Branson en – opvallendste in het rijtje – landbouwbedrijf Cargill. Begin 2018 besloot zelfs vleesverwerkingsbedrijf Tyson om fiks te investeren in Memphis Meats.

Ook het eerder genoemde Nederlandse Mosa Meat van professor Mark Post heeft als doel de hamburger van het labo naar de consument te brengen. Na die eerste kweekhamburger uit 2013 – die er overigens kwam met de financiële steun van medeoprichter van Google Sergey Brin – richtte Post samen met voedseldeskundige Peter Verstrate in 2016 zijn start-up op met een hoofdzetel in Maastricht. Op dit moment is het bedrijf naar eigen zeggen bezig met ‘de laatste wetenschappelijke aanpassingen aan ons product’. Tegen 2021 hoopt Mosa Meats zijn kweekvlees aan de eerste restaurants te leveren, om later naar de bredere markt uit te breiden, zo communiceerden ze in september.
Een derde grote speler is Hampton Creek uit San Francisco, dat intussen van naam veranderde naar JUST, Inc. Dierenrechtenactivist Josh Balk en ondernemer Joshua Tetrick richtten in 2011 een voedselproducerend bedrijf op dat zich in de eerste plaats op de productie van plantaardige voeding focust, met behulp van technologie. Sinds 2016 is daar kweekvlees bij gekomen en kochten ze het patent over van Van Eelen. JUST, Inc. richt zich specifiek op kip, gevogelte en zelfs foie gras. Vanuit ecologisch oogpunt zou rundvlees nochtans een interessantere keuze zijn – koeien nemen meer plaats in en stoten het meeste methaangas uit – maar Tetrick en Balk trekken bewust de kaart van dierenwelzijn. In Amerika alleen al worden jaarlijks 35 miljoen koeien geslacht, tegenover 9 miljard kippen in erbarmelijke omstandigheden, klinkt het. De ambitie van JUST, inc. is niet min. Ze willen tegen 2030 het grootste vleesbedrijf ter wereld zijn en het hele vleesproductiesysteem compleet omgooien.
Ook gekweekte vis kent belangstelling, met onder meer de start-up Finless Foods uit Californië, die duurzame zeevruchten kweekt in een labo. De Israëlische start-up Aleph Farms, opgericht in 2017, probeert dan weer als eerste een gekweekte steak op de markt te brengen. Een huzarenstukje, omdat steak qua structuur een pak moeilijker in een labo te maken is. In december vorig jaar slaagden ze erin hun eerste prototype te maken, dat ze nu willen commercialiseren. In mei kregen ze daarvoor 11,65 miljoen dollar van investeerders.
De race om commercieel kweekvlees is, kortom, vertrokken, met idealisme en ambitie als gemeenschappelijke deler van deze start-ups. Eind augustus maakten vijf grote spelers uit de sector nog bekend dat ze hun krachten bundelen in de strijd tegen de vleeslobby. Onder de noemer Alliance for Meat, Poultry & Seafood Innovation (AMPS Innovation) willen ze meer ruchtbaarheid geven aan de kweekvleessector. Door duidelijk en transparant te communiceren over hoe en waarom ze vlees en vis maken uit stamcellen, hopen ze zowel de consument als de industrie en de politici aan hun kant te krijgen.
Van labo naar bord

Aan ambitie geen gebrek. Maar tussen labo en supermarkt staan wetten in de weg, en praktische bezwaren. Zo hebben de Amerikaanse autoriteiten rond voeding en landbouw nog niet geformuleerd aan welke concrete richtlijnen voldaan moet worden om kweekvlees op de markt te brengen. Welke controles zullen er komen, hoelang zal zo’n goedkeuringsproces duren en wat zijn de regels voor pakweg etikettering? Op dit moment is daar nog geen duidelijkheid over.
Professor geneeskunde Lieven Thorrez (KU Leuven), die onderzoek doet naar het maken van spierweefsel in een labo, nuanceert de eenzijdige goednieuwsshow die start-ups ons volgens hem voorschotelen. ‘Er wordt een grote hype gecreëerd rond kweekvlees, vooral door de bedrijven zelf en dierenrechtenactivisten die zich er mee achter scharen’, aldus Thorrez.
‘Zo’n positief verhaal slaat aan en wordt gretig opgepikt door de media. Een bewuste strategie om zo veel mogelijk fondsen aan te trekken van investeerders. Het Good Food In- stitute, een non-profitorganisatie in Amerika die plantaardig en gekweekt vlees promoot, werkt daar sterk aan mee.
Ook zij hangen voor een groot deel af van private schenkingen.’ Volgens Thorrez ligt dat stuk kweekvlees de komende jaren nog niet op ons bord.
‘Mosa Meats mikt nu op ‘over twee à drie jaar’, maar dat zeiden ze in een interview drie jaar geleden ook al. De wetenschappelijke realiteit is dat we voorlopig nog niet kunnen kweken op grote schaal. In theorie kun je inderdaad in grote bioreactoren kweekvlees gaan produceren voor consumptie. Maar tot dusver bestaan zulke bioreactoren nog niet en is weefsel op macroschaal produceren nog niet mogelijk. Verder dan enkele prototypes staan we nog niet. Ook om de structuur en smaak van ‘echt’ vlees te krijgen, moet nog verder wetenschappelijk onderzoek gebeuren. De spiertjes die nu gekweekt worden in labo’s, bevinden zich in een foetale fase. Je zou ze verder moeten kunnen ontwikkelen tot ‘volwassen’ spieren.
De eerste hamburger kostte 250.000 euro, die prijs moet zakken naar 9 euro.
Een groot struikelblok om de techniek verder te perfectioneren en op te schalen, is het beperkte aantal middelen dat naar academisch onderzoek gaat, concludeerde een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Nature in februari. Start-ups halen vlotjes miljoenen binnen van rijke investeerders, terwijl de fondsen voor academisch onderzoek achterophinken. ‘Een start-up houdt zijn kennis binnenshuis om voor te lopen op de concurrentie’, beaamt Thorrez. ‘Dat staat verdere wetenschappelijke vooruitgang in de weg. Zonder degelijk onderbouwd onderzoek kun je geen veilig en gezond kweekvlees op de markt brengen.’
9 euro voor een hamburger
Een euvel dat meteen leidt tot de volgende barrière voor die grote stap naar het supermarktschap: het prijskaartje. De eerste hamburger kostte 250.000 euro. Volgens Mark Post konden ze de prijs binnen de twee jaar drukken tot 60 euro, en de wetenschapper verwacht dat ze tegen 2021 voor 9 euro zo’n hamburger kunnen maken. Post argumenteert dat je namelijk de kost van onder meer transport, veeteelt en slachten niet hoeft te maken. Maar om de concurrentie te kunnen aangaan met ‘gewoon’ vlees, is een verdere prijsdaling nog noodzakelijk.
‘Vooral het medium dat aan de cellen moet worden toegevoegd om te kunnen groeien, is heel duur’, weet Thorrez. ‘Oorspronkelijk werd daarvoor het al erg dure maar efficiënte Fetale Bovine Serum (FBS) gebruikt, een vloeistof die uit bloed van foetale kalveren gehaald wordt in een slachthuis. Maar wie van kweekvlees een diervriendelijk verhaal wil maken, kan niet anders dan op zoek gaan naar alternatieven. Synthetische serums zijn nóg duurder; denk aan enkele honderden euro’s per liter. Er zal eerst een manier gevonden moeten worden om het productieproces goedkoper te maken.’
Een feit dat Mosa Meats niet ontkent: een medium beslaat 80 procent van de kosten van kweekvlees, en zelf geven ze het op hun website aan als ‘de grootste uitdaging’ om hun eigen FBS-medium verder te optimaliseren en goedkoper te krijgen.
Tot slot is ook het vermeende milieu-effect van kweekvlees nog niet zwart-op-wit bewezen. Een studie van Oxford Martin School dit jaar stelt vast dat de positieve klimaatimpact van in labo gekweekt vlees mogelijk overschat wordt. Zo zijn voor het productieproces van kweekvlees in bioreactoren veel fossiele brandstoffen nodig, wat het milieuvoordeel van minder methaanuitstoot door vee mogelijk tenietdoet.
‘Methaan heeft een grotere impact op het milieu, maar blijft slechts twaalf jaar in de atmosfeer. CO2 blijft millennialang hangen. Als kweekvlees zo energie-intensief blijft, zou het weleens slechter voor het klimaat kunnen zijn dan koeien’, suggereert professor natuurkunde Raymond Pierrehumbert, die het onderzoek mee uitvoerde.
Een andere studie die in 2015 verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift The International Journal of Life Cycle Assessment stelt dan weer vast dat labovlees in theorie minder milieubelastend kan zijn dan rund en varken door minder land- en watergebruik, maar niet beter scoort dan kip en plantaardige alternatieven. Willen we van kweekvlees echt een duurzaam verhaal maken, dan moet er op zoek gegaan worden naar manieren om het te kweken zonder grijze energie. En daar zijn we in deze onderzoeksfase nog niet.
Ecoadepten vs. KFC-liefhebbers

Naast de genoemde praktische en financiële bezwaren is er nog één cruciale horde om van kweekvlees een commercieel succes te maken: de consument himself.
De meningen zijn wereldwijd uitermate verdeeld, concludeert professor sociologie Neil Stephens van Brunel University London in een paper die vorige zomer in Trends in Food Science & Technology verscheen. Uit verschillende internationale peilingen gaande van Amerika tot Scandinavië en het VK, blijkt dat de perceptie onvoorspelbaar schommelt tussen zeer positief en zeer negatief, met alle grijze zones ertussenin. De vaakst gehoorde klacht is het onnatuurlijke imago van kweekvlees. Al counteren voorstanders dat dan weer door te verwijzen naar hoe onnatuurlijk onze huidige voedingsindustrie nu al is.
Ook in eigen land is er geen opvallende consensus, zo blijkt uit een enquête van onderzoeksbureau Ipsos in opdracht van Gaia in januari 2019. 42 procent van de Belgen zegt ‘ja’ tegen kweekvlees, terwijl exact hetzelfde percentage zich neutraal opstelt tegenover het idee. 57 procent zou het wel consumeren, met als reden dat het hen in staat stelt vlees te eten zonder dierenleed. Kleine kanttekening bij dit onderzoek is dat het om een enquête bij 1.000 Belgen gaat, opgezet door een dierenrechtenorganisatie.
Volgens Paul Shapiro, auteur van Clean Meat (in maart 2019 in het Nederlands verschenen onder de titel Nooit Meer Slachten), is er wel degelijk een specifiek doelpubliek voor het product. ‘Kweekvlees is waarschijnlijk niet besteed aan de mensen die hun boodschappen op de boerenmarkt of in de lokale coöperatieve winkel doen. Het is veel minder aantrekkelijk voor ecoadepten dan voor liefhebbers van KFC. Maar dat is prima. Misschien is het zelfs maar goed ook, als je bedenkt dat het aantal mensen dat regulier vlees eet veel en veel groter is dan het aantal mensen dat de plaatselijke boerenmarkten frequenteert.’
Of we er ook met smaak in zullen bijten, zullen we pas ten vroegste in 2021 weten, als we Mark Post mogen geloven. Professor Thorrez betwijfelt het, maar steekt ook zelf zijn hand niet in het vuur voor een realistischere deadline: ‘Ik ga geen voorspelling doen. Ik heb geen glazen bol. Ik stel alleen vast dat er op dit moment veel claims gemaakt worden waarvan niet duidelijk is of ze ook haalbaar zijn.’
Ingenieur in de voedingsindustrie Laurens De Meyer durft wel een voorzichtige prognose te maken, zoals je in zijn interview op p. 14 kunt lezen: ‘Kweekvlees ligt nog niet binnen de tien jaar op ons bord, sterrenrestaurants of vakspecifieke events even buiten beschouwing gelaten. Ik denk eerder aan 2050 à 2060. Maar zelfs dan denk ik niet dat het ooit de klassieke vleesproductie helemaal zal vervangen. Een pata negra of een sappige steak zie ik nog niet meteen van kweekvlees gemaakt worden.’ Tijd voor deze ambitieuze start-ups om het tegendeel te bewijzen.