Key takeaways
- Producenteninflatie loopt opnieuw op door energie en grondstoffen, met duidelijke druk in de productieketen.
- Consumenteninflatie daalt verder dankzij lagere energieprijzen en beleidsmaatregelen, met kerninflatie op het laagste niveau sinds 2021.
- De tegenstelde bewegingen tussen productie en consumptie wijzen op een onvolledige doorwerking van kosten en een onzeker inflatiepad vooruit.
De Britse inflatie liet in april 2026 een verdeeld beeld zien, volgens de meest recente analyse van het het Britse statistiekbureau (ONS). Aan de ene kant stegen de kosten voor producenten scherp door duurdere energie en grondstoffen. Aan de andere kant koelde de inflatie voor consumenten verder af, vooral dankzij lagere energieprijzen en een reeks beleidsmaatregelen. Het resultaat is een economie waarin prijsdruk aan de bron oploopt, maar aan de winkelkassa juist afneemt, een zeldzame en complexe combinatie.
Producentenprijzen: olie en petroleum duwen kosten fors omhoog
De producentenprijzen (PPI) lieten in april een duidelijke versnelling zien. De kosten van materialen en energie die bedrijven inkopen lagen 7,7 procent hoger dan een jaar eerder, een forse stijging ten opzichte van maart. Ook de prijzen die fabrikanten rekenen aan de fabriekspoort stegen, met 4 procent op jaarbasis.
De belangrijkste motor achter die stijging was opnieuw energie. De prijs van ruwe olie schoot met meer dan 75 procent omhoog vergeleken met april vorig jaar. Dat is een uitzonderlijke beweging, die zowel de input- als de outputprijzen domineerde. Ook geraffineerde petroleumproducten werden aanzienlijk duurder, waardoor de hele keten van energie-intensieve industrieën hogere kosten moest slikken.
Andere grondstoffen trokken mee in de opwaartse beweging. Metalen en mineralen werden duurder, net als een brede categorie van overige geproduceerde materialen. Alleen binnenlandse voedingsmiddelen vormden een uitzondering: die werden iets goedkoper, vooral door dalende melkprijzen.
Ook de importkosten stegen stevig. De Import Price Index kwam uit op 8 procent, vooral door duurdere niet‑EU‑importen van petroleum. De lichte waardestijging van het pond was onvoldoende om die kostenstijging te compenseren.
Aan de uitvoerzijde stegen de prijzen eveneens. De Export Price Index klom met 7,7 procent, mede door hogere prijzen voor edelmetalen. Daarmee is duidelijk dat de prijsdruk in de productieketen breed gedragen is en niet beperkt blijft tot energie alleen.
Consumentenprijzen: inflatie daalt ondanks dure brandstof
Terwijl producenten met stijgende kosten worden geconfronteerd, koelde de inflatie voor consumenten verder af, aldus het ONS. De CPIH, de maatstaf die ook woonkosten van eigenaar‑bewoners meeneemt, daalde naar 3 procent. De CPI, die internationaal vergelijkbaar is, kwam uit op 2,8 procent. Beide cijfers liggen lager dan in maart en wijzen op een voortzetting van de afkoelende trend.
Die daling is vooral te danken aan de categorie housing and household services, waar energieprijzen een grote rol spelen. De elektriciteitsprijzen lagen 8,4 procent lager dan een jaar eerder, terwijl gasprijzen met 4,4 procent daalden. Dat staat in schril contrast met de forse stijgingen van vorig jaar.
De daling is het gevolg van een combinatie van factoren. Het nieuwe Ofgem‑prijsplafond, dat sinds april geldt, ligt aanzienlijk lager dan voorheen. Daarnaast voerde de Britse regering een maatregel in die gemiddeld 150 pond van de energierekening haalt door de prijs per eenheid te verlagen. Ook de lagere groothandelsprijzen in de maanden vóór het uitbreken van het conflict in het Midden-Oosten speelden een rol.
Water- en rioleringskosten stegen nog wel, maar veel minder sterk dan in 2025, toen waterbedrijven een deel van hun prijsverhogingen al eerder doorvoerden, waardoor deze posten nu een neerwaarts effect hebben op de inflatie.
De inflatie van eigenaar-bewonerskosten (OOH) bleef stabiel op 3,6 procent, na veertien maanden vertraging.
Recreatie, cultuur en voeding: paaseffect drukt prijzen
Ook in de categorie recreatie en cultuur was sprake van een duidelijke afkoeling. De inflatie zakte naar 1,7 procent, vooral doordat pakketvakanties goedkoper uitvielen. Dat heeft alles te maken met de timing van de paasvakantie: in 2025 viel indexdag vlak vóór Pasen, in 2026 ruim erna. Daardoor werden in april dit jaar geen vakanties in een piekperiode gemeten.
Daarnaast daalden de prijzen van computergames opvallend sterk, met ruim 18 procent, waar ze een jaar eerder nog fors stegen.
Voedingsprijzen stegen met 3 procent, minder dan in maart. Verschillende productgroepen – waaronder vlees, suikerwaren en oliën – werden goedkoper, terwijl groenten en zuivel juist iets duurder werden.
Kleding en transport: van kortingen naar brandstofschok
Kleding en schoeisel werden in april duurder, na maanden van prijsdalingen. Dat heeft vooral te maken met het kortingspatroon: vorig jaar zaten er in deze periode veel meer promoties in de dataset dan dit jaar.
In de transportsector was het beeld gemengd. Vooral sinds maart versnelden de brandstofprijzen sterk door de stijging van olieprijzen na de escalatie in het Midden-Oosten: benzine werd 16,6 pence per liter duurder, diesel zelfs 31,3 pence. Beide prijzen bereikten het hoogste niveau sinds 2022. Tegelijkertijd daalden vliegtarieven, opnieuw door het paas-effect.
Opmerkelijk is dat de transportcategorie ondanks de lagere inflatie dan vorig jaar toch een opwaarts effect had op de totale CPIH. Dat komt doordat het gewicht van deze categorie in 2026 is verhoogd, waardoor prijsbewegingen zwaarder meetellen.
Opvallend is ook dat de inflatie van goederen opnieuw licht aantrekt, ondanks de daling van de algemene inflatie. Zowel binnen de CPI als de CPIH steeg de goedereninflatie van 2,1 naar 2,4 procent. Tegelijk koelde de diensteninflatie duidelijk af. Dat verschil is economisch relevant: het kan erop wijzen dat de hogere kosten voor producenten stilaan beginnen door te sijpelen naar fysieke consumptiegoederen, terwijl de prijsdruk in de dienstensector afneemt.
CPIH en CPI: kerninflatie zakt verder weg
De kerninflatie – zonder energie, voeding, alcohol en tabak – daalde verder. De kern‑CPIH kwam uit op 2,8 procent, de kern‑CPI op 2,5 procent, beide op het laagste niveau sinds 2021. Dat wijst erop dat de onderliggende prijsdruk in de economie afneemt, ondanks de sterke stijging van producentenprijzen.
Op Europees niveau lag de Britse CPI iets onder die van Duitsland (2,9 procent), maar boven die van Frankrijk (2,5 procent). Het is voor het eerst sinds eind 2024 dat de Britse inflatie lager is dan de Duitse.
Tegengestelde prijsdynamieken maken de vooruitzichten voor inflatie onzeker
Het inflatiebeeld van april 2026 in het Verenigd Koninkrijk laat een economie zien die in twee richtingen beweegt. Aan de productiekant lopen de kosten snel op door energie en grondstoffen, terwijl consumenten profiteren van lagere energieprijzen en beleidsmaatregelen.
De vraag is hoe lang die scheiding standhoudt. Als producenten hun hogere kosten gaan doorberekenen, kan de consumenteninflatie opnieuw aantrekken. Tegelijk wijst het verschil tussen producenten- en consumentenprijzen erop dat er nog geen volledige doorwerking plaatsvindt in de keten: bedrijven lijken een deel van de kostenschokken voorlopig op te vangen of vertraagd door te rekenen, waardoor de druk aan de bron nog niet volledig zichtbaar wordt in de winkelprijzen. Voorlopig lijkt de inflatie echter verder te normaliseren, al blijft de geopolitieke context een onzekere factor die zowel energieprijzen als transportkosten snel opnieuw kan beïnvloeden. (fc)
Volg Business AM ook op Google Nieuws
Wil je toegang tot alle artikelen, geniet tijdelijk van onze promo en abonneer je hier!

