Eurozone drukt geld om vraag te stimuleren, maar dat geld kan de problemen aan de aanbodzijde niet verhelpen

De overheden van de eurozone hebben sinds het uitbreken van de coronacrisis grote inspanningen gedaan om een expansionistische fiscale en monetaire politiek te voeren. Er worden grote deficits gecreëerd en grote hoeveelheden liquide middelen ter beschikking gesteld. Dat is een goede zaak, want op die manier worden massa-ontslagen en faillissementen vermeden.

Toch is voorzichtigheid geboden met betrekking tot het optimisme voor een snel en breed economisch herstel, zoals door het IMF en de EU wordt voorspeld.

Want het beschikbaar maken van grote hoeveelheden liquide middelen heeft een verschillend effect op vraag en aanbod. Maatregelen die er op gericht zijn de vraag naar goederen en diensten aan te zwengelen kunnen niet de problemen oplossen die zich aan de aanbodzijde voordoen. 

Die aanbodzijde kampt met een reeks problemen

1. Er is een daling van de productiviteit

Ten eerste is er de daling van de productiviteit vanwege het in acht nemen van nieuwe veiligheidsvoorschriften, die betrekking hebben op het voorkomen van de verspreiding van Covid-19 op de werkplek. Denk aan ‘social distancing’ en de ononderbroken ontsmetting van werkplaatsen in sectoren zoals de bouw, de horeca, retail, transport en industrie.

De Franse zakenbank Natixis rekent op een daling van de productiviteit met 6 procent, zolang deze situatie aanhoudt.

Deze maatregelen verhogen de productieprijs. Bedrijven zullen die verhoging absorberen, wat hun winstmarge doet dalen of de verhoging doorrekenen aan de klant/consument, wat de vraag zal doen dalen en de inflatie doen toenemen. 

2. De crisis heeft een reeks winnaars en een reeks verliezers opgeleverd 

Onder de winnaars de essentiële beroepen en diensten, waaronder de voedingssector (bakkers, slagers, producenten van voedingsmiddelen, landbouwproducten, maar ook de supermarkten,…) en de gezondheidssector. Hier gaat het om labo’s, ziekenhuizen, zorgcentra, farmabedrijven en fabrikanten van medisch materiaal. ICT-bedrijven zullen kunnen profiteren van de herorganisatie van de workflows. Dan zijn er de nutsbedrijven ( watervoorziening, gas en elektriciteit, maar ook internet- en telecomdiensten), die genieten van contracten op langere termijn en recurrente inkomsten.

Onder de verliezers vinden we de automobielsector, de luchtvaart, toerisme, retailzaken,…

Mensen (en kapitaal) die in de verliezende sectoren aan de slag zijn zullen moeten worden getransfereerd naar de winnende sectoren. Maar dat is een complex, kostelijk en traag proces, dat de aanbodzijde van de economie lang zal hinderen.

3. Een toename in het aantal zombiebedrijven

Tenslotte zijn er de zombiebedrijven. De OESO, de denktank van rijke landen, definieerde zombiebedrijven vorig jaar als ‘bedrijven ouder dan 10 jaar waar de winstgevendheid de voorbije drie jaar niet volstond om de rentebetalingen te dekken’. Waarom 10 jaar? Omdat de ECB in 2009 de rente begon te verlagen. Sinds dan slagen steeds meer onrendabele bedrijven er in  hun doodstrijd te rekken.

België scoort op dat vlak volgens de OESO dramatisch slecht. Met 9 procent positioneert België zich achteraan de Europese rangschikking. Enkel Spanje en Griekenland doen nog slechter.

Zombiebedrijven houden ook de normale marktwerking tegen. Ze investeren niet, groeien niet en vertragen zo de productiviteitsgroei, de opbouw van kapitaal en uiteindelijk het bruto binnenlands product (bbp). 

Bedrijven die er onder normale omstandigheden niet meer zouden zijn, kunnen zo de concurrentie blijven aangaan met gezonde bedrijven en deze laatsten het markaandeel ontnemen waar ze recht op hebben.

Sommige internationale instellingen zoals het IMF en de EU voorspellen een sterk economisch herstel voor 2021. Voor de eurozone gaat het om respectievelijk 4,7 en 6,3 procent.

Toch is de kans groot dat de problemen aan de aanbodzijde het economisch herstel zullen verzwakken.

Meer
Markten
Mijn Volglijst
Markten
BEL20