Key takeaways
- De EU heeft moeite om een uniform verbod op sociale media voor minderjarigen in te voeren vanwege tegenstrijdige nationale wetgevingen.
- Er blijft juridische wrijving bestaan tussen de leeftijden voor toestemming volgens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de uiteenlopende drempels in de lidstaten.
- Regelgevers geven mogelijk voorrang aan het verbieden van verslavende platformfuncties boven het beperken van specifieke apps.
Het invoeren van een alomvattend verbod op sociale media voor minderjarigen in de hele Europese Unie stuit op aanzienlijke politieke en juridische complicaties. Hoewel Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, haar toespraak over de Stand van de Unie in september wellicht zal aangrijpen om een toezegging voor deze beperkingen aan te kondigen, is de praktische toepassing van een dergelijk beleid nog onzeker. De Europese Commissie heeft opgemerkt dat de juridische structuur nog in ontwikkeling is, waarbij wordt verwacht dat een aanstaand rapport van een panel voor kinderveiligheid richting zal geven aan de EU-strategie inzake leeftijdsverificatiesystemen.
Uiteenlopende nationale doelstellingen
De huidige visie op dit initiatief, zoals in mei door von der Leyen gesuggereerd, omvat een “uitstelmechanisme“ vergelijkbaar met de Australische aanpak, waarbij de leeftijd waarop tieners een account kunnen openen, wordt uitgesteld.
Het vaststellen van een uniforme minimumleeftijd is echter moeilijk omdat de EU-lidstaten uiteenlopende nationale doelstellingen hebben. Zo hebben Denemarken en Frankrijk bijvoorbeeld beperkingen overwogen voor jongeren onder de 15 jaar, hoewel de Commissie vraagtekens plaatste bij het voorstel van Frankrijk vanwege mogelijke conflicten met de Digital Services Act (DSA). Spanje en Australië hebben daarentegen een drempel van 16 jaar voor ogen.
16 jaar als standaardleeftijdÂ
Bovendien moet elke EU-brede regelgeving in overeenstemming zijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), die 16 jaar vaststelt als de standaardleeftijd voor digitale toestemming, terwijl landen de mogelijkheid hebben om die grens te verlagen tot 13 jaar.
Dat zorgt voor een complexe situatie bij de beslissing of de EU een totaalverbod voor de jongste kinderen moet invoeren of een gedifferentieerd systeem – vergelijkbaar met een recent Duits voorstel – waarbij oudere tieners toestemming van hun ouders nodig hebben om toegang te krijgen tot platforms.
Focussen op socialmediabedrijven zelf?Â
Er is ook een discussie over de vraag of de wetgeving zich moet richten op specifieke socialemediabedrijven of op schadelijke kenmerken van platforms. In plaats van apps zoals Snapchat of TikTok op te sommen, zou een “op functies gebaseerde“ aanpak verslavende elementen reguleren, zoals oneindig scrollen, die een negatieve invloed hebben op de geestelijke gezondheid van jongeren.
Die methode, die Australië in 2026 heeft ingevoerd, stelt bedrijven in staat beperkingen te vermijden als ze kunnen aantonen dat hun diensten geen risicovolle functies bevatten.
Pleidooi voor verantwoordingsplicht van bedrijven
Critici en voorvechters van rechten, zoals Leanda Barrington-Leach van 5Rights, stellen dat nationale verboden oneerlijk gericht zijn op kinderen in plaats van op de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de schade. Zij suggereert dat alleen de EU de bevoegdheid heeft om techreuzen effectief te reguleren.
Vanuit haar perspectief moet een succesvol systeem zowel op leeftijdsgroepen zijn afgestemd als gericht zijn op specifieke functies, waarbij de toegang afhankelijk is van de vraag of de dienst – of het nu een chatbot, een game of een sociaal netwerk is – als veilig voor minderjarigen kan worden gecertificeerd.
Volg Business AM ook op Google Nieuws
Wil je toegang tot alle artikelen, geniet tijdelijk van onze promo en abonneer je hier!
(ns)

