Goed, laten we eerlijk zijn: ja, de markt voor vooroorlogse auto’s heeft het in het algemeen moeilijk. Maar dat de markt inzakt, betekent nog niet dat hij dood is. En die dalende prijzen zouden weleens een buitenkans kunnen zijn voor jonge liefhebbers die op zoek zijn naar iets origineels en helemaal anders…
Echte liefhebbers op sociale media
Ze zijn vaak Frans, Duits of Brits en hebben een passie voor deze auto’s uit een ander tijdperk, auto’s die zijzelf, hun ouders en soms zelfs hun grootouders nooit hebben gekend. Op sociale media vind je hen bijvoorbeeld onder de namen Felix Godard, Jonny’s Garage of Driving in the 30s. Ze filmen zichzelf achter het stuur van hun eerbiedwaardige oldtimer, nemen deel aan wedstrijden, vertrekken op reis, maken tutorials over onderhoud en allerlei herstellingen… Kortom: het is een echte passie die hen drijft.
Het blijft natuurlijk een nichemarkt, maar hoe verklaar je die liefde voor auto’s uit een ander tijdperk? Elk verhaal is anders. Soms speelt nostalgie een rol, bijvoorbeeld wanneer een auto al generaties lang in dezelfde familie is gebleven. Maar er is vooral ook de prijs. Deze auto’s kosten soms minder dan een gewone tweedehands stadswagen. Voeg daar nog een totaal andere rijervaring aan toe – eentje die bij snelheden van een scooter al voor sensatie zorgt – een mechaniek die relatief eenvoudig te begrijpen en te onderhouden is, én natuurlijk een heerlijk eigenzinnige uitstraling waardoor de gelukkige eigenaar, vaak met snor trouwens, meteen overkomt als een mysterieuze zonderling…
Markttrends
Natuurlijk zijn er altijd enkele auto’s die de krantenkoppen halen: denk bijvoorbeeld aan de Talbot-Lago ‘Goutte d’eau’ uit 1938, die onlangs op Rétromobile bij Gooding Christie’s verkocht werd voor bijna 7 miljoen euro. Maar naast die absoluut unieke stukken, die eigenlijk dichter bij de kunstmarkt staan dan bij de automarkt, zien we meerdere breuklijnen.
Toelating tot evenementen
Wat maakt dat een vooroorlogse auto plots goud waard wordt? Zijn toegangsticket tot het grote podium: de toelating tot prestigieuze historische evenementen. Wordt een auto toegelaten tot beroemde evenementen zoals London-Brighton, Le Mans Classic of Goodwood, dan schiet zijn waarde plots omhoog. In dat opzicht zijn voertuigen die vóór 1905 gebouwd werden echte goudklompjes, want zij mogen effectief deelnemen aan de eerstgenoemde wedstrijd.
Een mooi verhaal, maar vaak een woelige geschiedenis
Nog twee factoren houden de waarde van deze auto’s overeind: authenticiteit en originaliteit. Kopers willen geen ‘overgerestaureerde’ auto’s meer die wel glanzen maar hun ziel verloren hebben. Ze willen patina, sporen van een eerder leven.
En dat is niet eenvoudig te vinden: deze auto’s, vaak bijna honderd jaar oud (of nog ouder), hebben een bewogen bestaan gekend. Tijdens de oorlog werden ze verstopt of zelfs uit elkaar gehaald om te vermijden dat de bezetter ze zou opeisen. Na de oorlog werden ze vaak omgebouwd tot utilitaire voertuigen. Zo kon je in het Parijs van de jaren vijftig langs de grote lanen soms vervallen Bugatti’s, Delages of zelfs Delahayes zien staan, verlaten of zelfs versneden om er takelwagens van te maken. Te duur om mee te rijden, te complex om te onderhouden: deze machines interesseerden niemand meer…
Tegen het einde van de Trente Glorieuses kwamen deze oude bakken langzaam weer in de mode. Mensen droomden ervan om de grandeur van vroeger te herbeleven achter het stuur van zulke machines, desnoods door hun geschiedenis opnieuw uit te vinden. Ze werden bijna systematisch omgebouwd tot een sportieve roadster, vaak met een Bordino-achtige achterkant. Zelfs veel intacte modellen gingen onder de slijpschijf om aan die trend te voldoen.
En vandaag?
Daar zit nu net de paradox. De markt wil authentieke auto’s die de tand des tijds doorstaan hebben zonder ingrijpende wijzigingen. Ook originele onderdelen en technieken – die vandaag soms bijna buitenaards lijken – worden gewaardeerd. Toch blijven gesloten carrosserieën, die als eerste slachtoffer werden van die wilde verbouwingen, nog altijd minder populair. Net als vroeger krijgen open carrosserieën vandaag de voorkeur.
We zeiden het al: wat echt uitzonderlijk is, wordt nog altijd verkocht voor astronomische bedragen. Maar die auto’s zijn intussen statusobjecten geworden en de kans is groot dat ze (bijna) nooit meer rijden. De oldtimers net daaronder, namelijk de zeer luxueuze auto’s waar men veertig jaar geleden nog van droomde, hebben het moeilijk: Isotta, Hispano, Delage en Delahaye verliezen geleidelijk aan terrein. De mooiste exemplaren zijn grotendeels naar de Verenigde Staten verhuisd, waar enkele evenementen ze nog in de kijker zetten. Maar zelfs bij Uncle Sam genieten ze niet meer van het aura dat ze tot het einde van de twintigste eeuw hadden.
Enorme kloof in de prijzen
Gooi al die elementen bij elkaar (de zoektocht naar authenticiteit en originaliteit, de mindere populariteit van gesloten carrosserieën en de kwestie van toelating tot evenementen) en je krijgt een sterk gepolariseerde markt. In grote lijnen kun je zeggen dat de markt in twee delen is opgesplitst. Ofwel vind je auto’s voor een prikje omdat niemand ze wil, ofwel blijven de prijzen stevig voor exemplaren die aan alle criteria voldoen. Dat geldt vooral voor auto’s uit de jaren twintig.
Zin gekregen?
Laat je een snor groeien, zet je een pilotenbril op en draai je zelf aan de startzwengel? Natuurlijk zijn er heel wat beperkingen: het onderhoud van deze auto’s is relatief eenvoudig maar tegelijk erg veeleisend, onderdelen vinden is een avontuur op zich, sommige herstellingen kunnen duur uitvallen en je zult waarschijnlijk sneller zijn met een speedpedelec. Maar deze auto’s bieden een totaal andere ervaring die fel contrasteert met de geëlektrificeerde en steriele auto’s van vandaag. Nee, de prijzen zullen waarschijnlijk niet opnieuw stijgen, maar als je een auto koopt puur voor het plezier, is dat misschien net goed nieuws, toch?

