De kentering die in 2025 werd waargenomen, heeft een groot deel van de markt verrast. Na meerdere jaren van strak aanbodbeheer heeft de OPEC haar koers gewijzigd. De organisatie van exporterende landen heeft haar productiequota bewust versoepeld. Waarom? Omdat het kartel, geconfronteerd met de opmars van hernieuwbare energie, niet langer de rol van prijsstabilisator speelt, maar nu vooral marktaandeel wil vasthouden.
Die koerswijziging werd al in het voorjaar van 2025 zichtbaar, met een snelle correctie van de prijzen tot gevolg. Vergadering na vergadering gaven de producerende landen een duidelijk signaal: het tijdperk van kunstmatige schaarste is voorbij. Gevolg: een vat Brent-olie sloot het jaar af rond de 62 dollar, een daling van bijna 17%. Dat is een ongeziene terugval sinds de coronacrisis van 2020.
Wereldwijd meer aanbod dan vraag
De realiteit is duidelijk: de markt wordt overspoeld met nieuwe vaten. En daar stopt het niet, want nieuwe oliebronnen – vooral in Brazilië – vergroten de kans op overschotten. Volgens analisten is er vanaf 2026 sprake van een aanzienlijk onevenwicht, met dagelijks meerdere miljoenen vaten te veel in verhouding tot de vraag. Die situatie zal automatisch druk zetten op de prijzen en zou consumenten zelfs kunnen beschermen tegen een prijsopstoot bij geopolitieke spanningen.
Maar hoe reageren de OPEC-landen die met deze lage prijzen minder verdienen? In werkelijkheid verschilt de situatie sterk van land tot land. Landen met hoge productiekosten krijgen het moeilijk, terwijl de Golfstaten – met productiestructuren die tot de meest competitieve ter wereld behoren – genoeg speelruimte hebben om een periode van lage prijzen probleemloos te doorstaan.
Dubbelzinnige rol van ondersteunende factoren
Niemand heeft een glazen bol, en dus moeten we eerlijk zijn: bepaalde elementen zouden de verwachte daling in 2026 kunnen afremmen. Zo blijft China, de grootste olie-importeur ter wereld, zijn strategische reserves aanvullen. Ondanks de snelle opmars van elektrificatie blijft het land sterk afhankelijk van ingevoerde olie en kiest het bewust voor bevoorradingszekerheid. Bovendien behoudt de OPEC een hefboom en kan de organisatie snel ingrijpen als de prijzen het begrotingsevenwicht van een of meerdere kernleden in gevaar zouden brengen. In dat geval zou ze het roer opnieuw kunnen omgooien.
En de spanningen van de afgelopen dagen met Venezuela zullen daar geen verandering in brengen. Direct na de Amerikaanse operatie zijn de olieprijzen namelijk weer gestegen, om vervolgens weer te dalen. En terecht: Venezuela, dat 17% van de wereldwijde reserves in handen heeft, produceert slechts 1 miljoen vaten per dag. Een schijntje. En om de olie-industrie van het land, die er door de geringe investeringen van de afgelopen jaren slecht voorstaat, weer op gang te brengen, zal het tussen de 5 en 10 jaar duren...
Amerikaanse schalieolie
Er is echter nog een cruciale factor: de onverwachte veerkracht van de Amerikaanse olieproductie. Ondanks olieprijzen die nauwelijks rendabel zijn, blijven producenten van schalieolie doorwerken door aanzienlijke efficiëntiewinsten. Dat is te danken aan langere boringen, kostenoptimalisatie en een hogere productiviteit, allemaal elementen die het mogelijk maken om de volumes op peil te houden.
Hoe dan ook ziet 2026 er bijzonder gunstig uit voor wie brandstof verbruikt. Natuurlijk weten we dat de prijs aan de pomp niet uitsluitend bepaald wordt door de prijs van een vat ruwe olie, verre van zelfs. Maar het blijft wel een essentiële factor in de formule. Eén ding staat vast: goedkope olie maakt het voor Europa nóg moeilijker om haar ambities rond de transitie naar elektrische auto’s te realiseren...

