Zegt ons land binnenkort een verdrag op dat cruciaal is voor onze energievoorziening?

De afgelopen decennia slaagde de groene beweging er in om regeringen ervan te overtuigen om het investeringskader voor fossiele brandstoffen in de lidstaten van de Europese Unie minder aantrekkelijk te maken. Dit was een belangrijke reden voor Europa’s buitensporige energieafhankelijkheid van onbetrouwbare regimes zoals Rusland. De Russische beslissing om de gastoevoer naar West-Europa toe te draaien in de hoop om Oekraïne tot compromissen te dwingen, veroorzaakte dan weer het huidige gastekort, wat het grootste chemiebedrijf ter wereld, BASF, deed beslissen zijn investeringen in Europa permanent te verminderen met als argument dat de hoge energiekosten het continent steeds minder concurrentieel maken.

Nu probeert de groene beweging om Europese regeringen te dwingen uit een belangrijk internationaal kaderverdrag voor energie-investeringen te stappen, en ze boeken daarbij heel wat succes. Een aantal EU-lidstaten kondigde immers aan om zich terug te trekken uit het Energiehandvestverdrag (Energy Charter Treaty of ECT), een in 1991 ondertekende internationale overeenkomst die een multilateraal kader biedt voor grensoverschrijdende samenwerking in de energiesector. De regeringen van Polen, Spanje, Nederland en Frankrijk hebben dit al gedaan en ook in andere landen, zoals bijvoorbeeld België, gaan stemmen op om dit te doen, waaronder Ecolo-Minister Zakia Khattabi en PS-voorzitter Paul Magnette

De cruciale rol van het Energiehandvestverdrag (ECT)

Het belang van dit Verdrag is dat het investeerders de mogelijkheid biedt overheden voor een privaat arbitragetribunaal te dagen wanneer zij menen dat die dit Energiehandvestverdrag schenden in het kader van grote energieprojecten.

Het is geen toeval dat het Verdrag vlak na het einde van de Koude Oorlog werd gesloten, aangezien het gericht is op het stimuleren van investeringen in de grondstofrijke voormalige Sovjet-satellietstaten.

Wanneer investeerders weten dat zij niet hoeven te vertrouwen op de vaak corrupte rechtbanken van landen die nog geen volledige democratieën zijn geworden, maar kunnen rekenen op private arbitragepanels die een zeer goede reputatie genieten, zullen zij eerder bereid zijn de aanzienlijke bedragen op tafel te leggen die doorgaans vereist zijn voor investeringen in de energiesector. 

Uiteindelijk is dit niet alleen gunstig voor die opkomende economiën waar veel van de energie-investeringen plaatsvinden, aangezien het ECT het aantal investeringen daar doet toenemen, maar ook voor de West-Europese economieën, waar veel van de investeerders gevestigd zijn. Het verlaten van het ECT zal Europese energiebedrijven hun investeringsbescherming in andere delen van de wereld ontnemen. Het is daarom betreurenswaardig om te zien hoe de hierboven genoemde West-Europese regeringen zich tegen het ECT hebben gekeerd. 

Irina Kustova, onderzoeker bij de denktank Centre for European Policy Studies (CEPS) heeft erop gewezen dat “voor de rest van dit decennium, investeringen in alternatieven voor Russische fossiele brandstoffen van vitaal belang blijven, evenals een betrouwbare en ononderbroken doorvoer via de zuidelijke gascorridor, die ook onder de doorvoerbepalingen van het Verdrag valt.” 

Indien ook de EU als organisatie het ECT zou verlaten, denkt zij dat China en Turkije het politieke vacuum als gevolg hiervan zouden opvullen, om zo hun aanwezigheid in de zuidelijke Kaukasus en Centraal-Azië te versterken. Voorlopig verkiest een meerderheid van de EU-lidstaten gelukkig een hervorming van het Energiehandvestverdrag.

Ook voor hernieuwbare energie is het Energiehandvestverdrag belangrijk

De Belgische minister van Klimaat, Milieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal, Zakia Khattabi (Ecolo), behoort tot de felste tegenstanders van het verdrag. Zij noemde de voorgestelde hervormingen “grotendeels ontoereikend”, beweerde dat het verdrag nooit zou kunnen voldoen aan de Europese klimaatdoelstellingen en noemde het een “paard van Troje” voor het klimaatbeleid van de EU. Zij is lid van Ecolo, dus het is niet bepaald verrassend dat zij zo vijandig staat tegenover een verdrag dat cruciaal is voor investeringen in fossiele brandstoffen. 

Afgezien van de vraag of Europese kiezers het nog wel zo intelligent vinden om af te stappen van fossiele brandstoffen, gezien de komende economische recessie die een direct gevolg is van Europa’s gebrek aan investeringen in fossiele brandstoffen, zouden groenen, die nogal houden van hernieuwbare energie, ook twee keer moeten nadenken over hun verzet tegen het ECT. Het Energiehandvestverdrag is immers ook heel belangrijk voor investeringen in hernieuwbare energie.

Dit is duidelijk in het geval van Spanje, dat een reeks zaken verloor bij private arbitragehoven omdat het zijn financiële steunregeling voor investeringen in hernieuwbare energie in 2013 abrupt wijzigde, iets wat de Vlaamse regering ook van plan is. Deze regeling was in 2007 in het leven geroepen. Investeerders slaagden er daarbij in de arbitragerechtbanken ervan te overtuigen dat Spanje de vereiste van een eerlijke en billijke behandeling van artikel 10, lid 1, van het Energiehandvestverdrag had geschonden. 

Het loslaten van dit verdragskader is dus niet alleen een slechte zaak voor traditionele energie-investeringen, maar ook voor investeringen in hernieuwbare energie. Het is duidelijk dat voor veel groenen de haat tegen de particuliere sector zwaarder weegt dan hun steun voor duurzame energie.

Spanje als zorgenkind

Momenteel probeert de Spaanse regering met alle mogelijke middelen om de schadevergoeding niet te moeten betalen tot waarvoor het veroordeeld is. Spanje heeft dan ook een zeer slechte staat van dienst wat betreft het naleven van arbitrage-uitspraken.  Daarbij bevindt het zich in twijfelachtig gezelschap, met Rusland, Argentinië en Venezuela. Vorig jaar, tijdens de Yukos-zaak, kwam de Spaanse regering zelfs tussenbeide ten gunste van Rusland en moedigde het land daarbij aan om ook niet te betalen.

Uit een nieuwe studie over de mate van naleving door staten met betrekking tot de betaling van tegen hen opgelegde compensaties in het kader van investeringsverdragen blijkt dat Spanje tot dusver geen enkele compensatie in het kader van de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) heeft betaald sinds de Maffezini-uitspraak van 2000. Het land staat zelfs op de tweede plaats van de meest nalatige overheden ter wereld op dat vlak. Op dit moment moet de Spaanse overheid in totaal nog steeds 700 miljoen dollar. Het is daarmee ook het land dat verreweg het grootste aantal zaken op het gebied van hernieuwbare energie heeft lopen, en het land dat het grootste aantal private arbitragezaken verliest.

Ook op Europees niveau keert de wind

Helaas worden ook de Europese instellingen steeds vijandiger ten opzichte van private arbitrage. In 2018 was er het arrest “Achmea” van het Europees Hof van Justitie – dat oordeelde dat arbitrage tussen investeerders en staten in een intra-EU-context illegaal was. 

Terwijl de voor het ECT verantwoordelijke ambtenaren van de Europese Commissie het verdrag proberen te redden, met het argument dat hervormingen ervan de beste optie zijn voor de EU, dringt de afdeling mededinging van de Commissie er bij Spanje op aan de compensatie waartoe het veroordeeld is door arbitragerechtbanken niet te betalen, met het bizarre argument dat zoiets zou neerkomen op “staatssteun”. Spanje was de eerste van de EU-lidstaten die aankondigde uit het ECT te stappen. Dit zal het land meer dan waarschijnlijk niet aan een veroordeling kunnen doen ontsnappen, aangezien in het ECT een clausule is opgenomen die de aangesloten staten nog 20 jaar na hun vertrek aan de bepalingen van het verdrag bindt. Ook daarom komt het vertrek uit het Energiehandvestverdrag neer op een enorme own-goal. 


De auteur Pieter Cleppe is hoofdredacteur van BrusselsReport, een webstek die zich richt op nieuws en analyse met betrekking tot EU-politiek

Meer
Markten
Mijn Volglijst
Markten
BEL20