De langetermijnrente is de voorbije jaren gestaag opgelopen omwille van galopperende schulden en inflatie. De Belgische lineaire obligatie op tien jaar (OLO 10 jaar), de benchmark voor wie in dit land spaart voor zijn pensioen, klimt jaar na jaar hoger en bedraagt 3,85 procent op het moment van schrijven. De wettelijke rendementsgarantie die werkgevers moeten bieden op de aanvullende pensioenen van hun werknemers, zou logischerwijze ook mee moeten stijgen. Niets is echter minder waar. Voor 2027 blijft die garantie steken op 2,50 procent, exact hetzelfde niveau als de voorbije jaren. Wie denkt dat dit iets zegt over de rente, dwaalt. Het zegt vooral iets over hoe de wet die rente vertaalt in een percentage dat de hoogte van die garantie bepaalt, en die vertaling verdient een kritische blik.
Een formule met een adder onder het gras
Sinds 2016 is de rendementsgarantie uit de Wet Aanvullende Pensioenen (WAP) geen vast gegeven meer. Sinds dat moment is deze immers het resultaat van een berekening: 85 procent van het gemiddelde rendement van de OLO 10 jaar over de voorbije 24 maanden. Die berekening gebeurt elk jaar op 1 juni en bepaalt de garantie voor het jaar nadien. Tot zover een verdedigbaar systeem: het koppelt de garantie aan de reële marktomstandigheden, weliswaar met vertraging.
Maar de wetgever bouwde er twee correcties in die elk op zich banaal lijken, maar in combinatie een merkwaardig effect sorteren. Het resultaat wordt afgerond op de dichtstbijzijnde 25 basispunten, en, cruciaal, de garantie mag enkel wijzigen als het resultaat vóór afronding minstens 0,25 procentpunt afwijkt van het resultaat voor afronding van het jaar voordien. Is dat verschil kleiner, dan blijft de garantie van vorig jaar gewoon van kracht, hoe de rente ook evolueert.
Waarom 2,50 procent overeind blijft
Dat is precies het pijnpunt. De berekening op 1 juni 2026 leverde een resultaat op dat minder dan 0,25 procentpunt verschilde van de berekening van een jaar eerder. Volgens Aon volgt uit artikel 24, §3 van de WAP dat de FSMA de garantie in die situatie niet mag aanpassen. Vandaar dat de garantie op 2,50 procent blijft, zelfs al ligt het gemiddelde OLO-rendement intussen hoger dan het niveau dat aan die 2,50 procent ten grondslag lag. De stilstand van de garantie is dus een gevolg van haar berekeningswijze.
Een sluipende kloof
Wie deze logische redenering doortrekt, stuit echter op een onaangenaam scenario. Stel dat het resultaat van de berekening op basis van de OLO-rente jaar na jaar met net iets minder dan 0,25 procentpunt stijgt. Op geen enkel moment wordt de drempel gehaald, en dus verandert de garantie nooit. Na vijf jaar gestage klim kan de rente intussen met een volle procentpunt zijn gestegen, terwijl de wettelijke garantie geen millimeter is bewogen. Dat is geen theoretisch hersenspinsel: het is wiskundig ingebakken in de huidige tekst van de wet, en het werkt in beide richtingen. Ook bij een geleidelijk dalende rente kan de garantie net iets te lang te hoog blijven staan, ten koste van de werkgever.
Doel voorbijgeschoten?
Dat is de vraag die iedereen die met aanvullende pensioenen bezig is, zich zou moeten stellen. De 0,25 procent-drempel werd destijds allicht ingevoerd om jaarlijkse schommelingen van een paar basispunten te vermijden en zo voor enige stabiliteit te zorgen, wat op zich een legitieme bekommernis is. Maar de letter van de wet maakt geen onderscheid tussen een eenmalige kleine schommeling en een aanhoudende, geleidelijke trend. Net dat laatste scenario zorgt ervoor dat het instrument zijn eigen doel voorbijschiet: in plaats van de garantie te laten meebewegen met de rente, kan het de garantie jarenlang muurvast houden terwijl de onderliggende rente wel degelijk verandert.
Tijd voor een grondige evaluatie
Dat de garantie in 2027 op 2,50 procent blijft, is dus geen inhoudelijke keuze van de wetgever over wat een redelijk minimumrendement is. Het is een bijproduct van een afrondings- en drempelmechanisme dat niet is opgewassen tegen een geleidelijke rentebeweging. Voor werkgevers en werknemers heeft dat reële gevolgen: de financiële verplichting van de werkgever en de bescherming van de werknemer hangen af van een technisch detail dat weinigen kennen. Het wordt hoog tijd dat de wetgever dit mechanisme grondig herbekijkt, zodat de garantie doet wat ze hoort te doen: de rentemarkt op de voet volgen, in plaats van er sluipend van weg te drijven.
Steven Cauwenberghs, Senior Legal Advisor Aon

