De voorbije jaren waren niet bepaald gemakkelijk: een wereldwijde pandemie die zes miljoen mensen doodde, een oorlog in Europa, een erbarmelijke economische situatie en een nakende klimaatcrisis maken het al te gemakkelijk om pessimistisch te zijn over de jaren 2020. Maar als je terug in de tijd gaat, meer bepaald naar het jaar 536, besef je al gauw dat onze problemen relatief nietig zijn.
Er waren doorheen de geschiedenis talloze periodes waarin catastrofale gebeurtenissen de wereld volledig ontwrichtten. Perikelen zoals de Tweede Wereldoorlog, de periode van de Zwarte Dood, de Spaanse Griep, de Mongoolse invasies van zo goed als heel Eurazië, China tijdens de Culturele Revolutie en nog zoveel meer strijden allemaal om de troon van ‘ergste jaren om in te leven’.
Dat één bepaald jaar dan ook die dubieuze eer kan krijgen, is dan ook – lichtjes uitgedrukt – compleet van de pot gerukt. Toch vinden sommige historici dat het jaar 536 in deze competitie wel eens de kroon kan spannen. Michael McCormick, een Amerikaanse historicus bij Harvard University, kwam in 2018 met het opmerkelijke voorstel om dat jaar immers te nomineren voor de titel van ‘ergste jaar om in te leven’. Maar waarom?
Het jaar zonder daglicht
Om dat te begrijpen, moeten we even terugkeren naar het Oost-Romeinse Rijk van de vroege zesde eeuw na Christus. Toen beschreef de historicus Procopius een bizar verschijnsel, een getuigenis die tot de jaren 1990 niet serieus werd genomen door zijn hedendaagse collega’s. De wereld zou voor zo’n achttien maanden lang gehuld zijn gegaan in een mysterieuze nevel, die Europa, het Midden-Oosten en Azië dag en nacht onderdompelde in duisternis.
“De zon gaf haar licht zonder helderheid, zoals de maan, gedurende het hele jaar”, schreef de vroegmiddeleeuwse geschiedkundige toen. Hij beschreef ook hoe de zon voortdurend in eclips leek te zijn en dat tijdens de hele periode “mensen vrij waren van noch oorlog, noch pestilentie, noch enig ander ding dat tot de dood leidde”.
“Wij zijn verbaasd dat wij ’s middags geen schaduwen van onze lichamen zien”, schreef Cassiodorus, een Romeinse staatsman en schrijver. Hij beschreef hoe de zon een “blauwachtige” kleur had, dat de maan haar glans had verloren en dat de “seizoenen allemaal door elkaar lijken te lopen.”
Het apocalyptische scenario dat uit deze teksten blijkt, zou zo uit het Oude Testament kunnen komen. Temperaturen zouden tijdens het jaar zodanig zijn gezakt, dat er in China sneeuw viel in de zomer. Oogsten mislukten, mensen verhongerden en de builenpest begon aan een stille opmars die uiteindelijk meer dan een derde van de bevolking van het Oost-Romeinse Rijk zou uitroeien.
Het is dus niet verwonderlijk dat dergelijke getuigenissen werden afgeschreven als nonsens. Toch bleek uit historisch onderzoek dat deze donkerste periode van de Donkere Middeleeuwen wel degelijk gebeurd is.
Boomringen en ijskernen
Volgens McCormick begon de waarheid achter het verhaal vanaf de jaren 1990 onthuld te worden. Toen onderzochten wetenschappers boomringen in Ierland, waarbij zij ontdekten dat er wel degelijk iets vreemds is gebeurd rond het jaar 536. Doordat boomringen die dat jaar gevormd werden, veel minder dik waren dan boomringen van voorgaande jaren, konden zij immers uitpluizen dat die zomer ongebruikelijk koud was.
Sindsdien proberen wetenschappers te onderzoeken wat daar de oorzaak van was. In 2015 leverden ijskernen, die in Groenland en Antarctica werden opgegraven, een belangrijke aanwijzing op. IJskernen zijn in feite cilinders van ijs, die uit gletsjers of ijsplaten worden geboord. Het zijn in essentie bevroren tijdcapsules, omdat ze op zeer accurate wijze kunnen ‘archiveren’ hoe de atmosfeer er tijdens een bepaald tijdstip uitzag door sporen daarvan op te slaan. Hoe dieper men graaft, hoe verder men in feite terug in de tijd kan kijken.
Door ijskernen met afzetlagen van rond het jaar 536 te bestuderen, konden wetenschappers uiteindelijk achterhalen wat de oorzaak van de ongebruikelijke koude zomer was. De lagen die overeenkomen met dat jaar bevatten immers een grotere hoeveelheid zwavel en andere deeltjes die het licht van de zon terug zouden kunnen kaatsen. Daardoor koelde de planeet af.
Meer dan duizend Hiroshima’s
Die deeltjes konden maar van één bron komen: een vulkaan. En niet zomaar een vulkaan. De uitbarsting die in 536 gebeurde, was zo krachtig dat de aarde in een mini-ijstijd terecht kwam.
Het is nog niet exact bekend waar die vulkaan zich bevond of hoe krachtig de explosie was. Wetenschappers vermoeden echter dat die zich waarschijnlijk in het noordelijk halfrond bevond, met kandidaten in zowel IJsland als Noord-Amerika.
Wat wel kan gededuceerd worden, is dat de uitbarsting groter was dan die van de Tambora in 1815, in wat nu Indonesië is. Dat is de grootste gekende eruptie in de geschiedenis, waarbij meer energie vrijkwam dan bij duizend atoombommen van het type dat op Hiroshima werd geworpen.
Om olie op het vuur te gooien, blijkt uit de ijskernen nog een bijkomende ramp: in 540 zou nog een vulkanische uitbarsting hebben plaatsgevonden, waardoor de mini-ijstijd nog eens werd verlengd.
Justinianus I
Dat had ingrijpende gevolgen voor de bevolking van Europa, het Midden-Oosten en Azië. Doordat oogsten jarenlang mislukten, ontstond een massale hongersnood. Hierdoor stierven miljoenen mensen. Daarna zouden de verzwakte massa’s kwetsbaarder zijn voor ziektes, die door het snel veranderende klimaat, volgens sommige historici althans, bovendien sneller zouden kunnen worden verspreid.
Vanaf 541 raasde de hierboven genoemde builenpest, de zogenaamde Pest van Justinianus, door Europa. Die werd vernoemd naar de keizer van het Oost-Romeinse Rijk tijdens die periode, Justinianus I, die waarschijnlijk zelf door de ziekte werd getroffen. Door de pest stierven in de komende jaren, volgens sommige schattingen althans, tussen een derde en de helft van alle Europeanen. En hoewel de mini-ijstijd niet met zekerheid de oorzaak was, biedt dat geen soelaas voor de vele mensen die toen hun laatste adem uitbliezen.
De klimaatramp zou de geschiedenis ook op andere manieren veranderen, althans volgens sommige bronnen. David Keys, een schrijver en correspondent archeologie bij het Londense The Independent, theoretiseerde dat een aantal belangrijke historische gebeurtenissen, zoals de westelijke migratie van Mongolische stammen, het einde van de dynastie van de Sassaniden, de opkomst van de Islam en de val van Teotihuacán allemaal veroorzaakt werden door de mini-ijstijd.
Keys’ mening wordt door veel historici echter in twijfel getrokken. Hij zou veel van zijn argumenten baseren op onbetrouwbare bronnen en zou bewijsmateriaal gebruiken dat volgens de Britse archeologist Ken Dark “hoogst discutabel” zou zijn. Hij erkent zelf wel dat de zesde eeuw gekenmerkt wordt door “ingrijpende veranderingen”.
McCormick windt er alvast geen doekjes om. Volgens hem was het hoe dan ook “het begin van een van de slechtste periodes om in leven te zijn, zo niet het slechtste jaar.”
(kg)