Neen, we gaan de overheidsfinanciën niet makkelijk terug op de rails krijgen

De volgende legislatuur staan onze overheden voor de zwaarste budgettaire uitdaging sinds de eerste helft van de jaren 80. Die uitdaging minimaliseren met kwinkslagen, business-as-usual of onrealistische rekenkunde getuigt niet van verantwoordelijk beleid.

Na waarschuwingen van de Europese Commissie, het IMF, de OESO, het Planbureau, de Nationale Bank en anderen zou het ondertussen voor iedereen duidelijk moeten zijn dat onze overheidsfinanciën er niet goed voor staan. De volgende legislatuur zullen regeringen op verschillende niveaus geconfronteerd worden met een zeer moeilijke budgettaire situatie. Opmerkelijk genoeg blijven veel politici die uitdaging minimaliseren. 

Misleidende antwoorden

Zo pakte Paul Magnette eind vorige week uit met de uitspraak ‘de beste manier om het begrotingstekort weg te werken, is via hogere lonen, elke loonstijging van 2% levert 2 miljard extra op voor de schatkist’. Dat klinkt misschien makkelijk, maar is op z’n zachtst gezegd misleidend. Ja, hogere lonen betekenen ook hogere belastinginkomsten voor de overheid, maar even goed betekenen die heel wat extra uitgaven voor hogere ambtenarenlonen, hogere pensioenen, hogere uitkeringen… Analyses van de Nationale Bank geven aan dat hogere inflatie (en dus hogere lonen) een nuloperatie is voor de overheidsfinanciën, en op langere termijn zelfs negatief. Hogere lonen zullen het begrotingstekort dus niet wegwerken. Hopelijk denkt Magnette ook al na over een ander plan.

Maar Magnette is niet de enige die de budgettaire uitdaging nogal makkelijk lijkt op te nemen. Premier De Croo blijft herhalen dat we gewoon nog twee jaar de huidige inspanningen moeten aanhouden om uit de gevarenzone te geraken met de begroting. PVDA denkt dan weer alles te kunnen oplossen met een miljonairstaks (die 8 miljard zou moeten opleveren), terwijl Vlaams Belang het einde van de financiële transfers van Vlaanderen naar Wallonië (die geraamd worden op 6 à 7 miljard) ziet als een mirakeloplossing. Stuk voor stuk lijken die allemaal de ernst van de situatie verkeerd in te schatten. 

Miljardenopgave voor de volgende legislatuur

De volgende legislatuur start met een gezamenlijk begrotingstekort van 4,4% van het bbp, of 26 miljard euro. Zonder ingrepen klimt dat tekort, vooral door extra uitgaven voor pensioenen en zorg en rentebetalingen op de schuld, tegen het einde van de legislatuur naar meer dan 6% van het bbp, of bijna 40 miljard in euro’s van vandaag. Om het tekort alleen nog maar constant te houden, is dus een budgettaire inspanning van meer dan 10 miljard nodig. En er zal meer nodig zijn, want het huidige begrotingstekort is sowieso te hoog. Als we in normale economische omstandigheden het tekort op meer dan 4% van het bbp houden, dan hebben we bij de onvermijdelijke volgende crisis geen enkele ruimte meer om in te grijpen. Alleen al uit voorzorg moeten we het tekort de komende jaren terugbrengen naar meer houdbare niveaus. Om het tekort tegen het einde van de legislatuur terug te dringen tot (een nog altijd hoge) 3% is een inspanning van 20 miljard in euro’s van vandaag nodig. En dat is nog voor we beginnen aan nieuw beleid. Partijen die hogere pensioenen, extra investeringen, minder lang werken, lagere belastingen… voorstellen, moeten daar uiteraard ook nog financiering voor vinden. 

Andere budgettaire realiteit

Wat hun samenstelling ook wordt, de volgende regeringen zullen geconfronteerd worden met een totaal nieuwe budgettaire realiteit. De inspanning die in de volgende legislatuur ligt te wachten, is de grootste sinds de eerste helft van de jaren 80. De nieuwe Europese begrotingsregels zullen allicht wijzen op een noodzakelijke inspanning van 5 à 7,5 miljard per jaar. Dat leidde al tot een reeks verklaringen en opiniestukken vanuit linkse hoek tegen die nieuwe begrotingsregels. Telkens wordt daarbij ‘vergeten’ dat we ook zonder die Europese regels de inspanningen zullen moeten doen om onze overheidsfinanciën terug een beetje op orde te krijgen (wat de huidige regering nagelaten heeft). Dat is nodig om bij een volgende crisis terug ruimte te hebben om in te grijpen, om te kunnen blijven investeren, o.m. in de duurzame transitie, en om op langere termijn onze welvaartsstaat overeind te houden. 

Besparen en hervormen

Vanuit bepaalde hoeken wordt vooral aan extra belastingen gedacht om de begrotingsput te vullen, maar dat gaat voorbij aan het feit dat we vandaag al de derde zwaarste belastingdruk van Europa hebben. De ontsporing van onze overheidsfinanciën zit evenwel volledig aan de uitgavenkant. De overheidsuitgaven (zonder de rentelasten) liggen dit jaar 2,9% van het bbp, of 17 miljard in euro’s van vandaag, hoger dan in 2019. En die uitgavenstijging past in een langere trend: sinds 1990 zitten de overheidsuitgaven in de lift. In 2024 zullen de primaire overheidsuitgaven 12,6% van het bbp, of maar liefst 75 miljard in euro’s van vandaag, hoger liggen dan in 1990. De opkuis van de overheidsfinanciën moet dan ook in belangrijke mate komen van besparingen op de uitgaven. Daarnaast zullen ook echte hervormingen, onder meer om veel meer mensen aan het werk te krijgen en om de uitgavenstijging in de pensioenen en de gezondheidszorg onder controle te krijgen, cruciaal zijn. 

Dat wordt hoe dan ook een enorme uitdaging, maar moet wel haalbaar zijn. Tenminste als we de budgettaire uitdaging ernstig nemen. Met kwinkslagen, business-as-usual of onrealistische rekenkunde zullen we er alvast niet geraken.    


De auteur Bart Van Craeynest is Hoofdeconoom bij Voka en auteur van ‘België kan beter’ 

Meer
Opinie
Martine Hardeveld Kleuver
Lode Uytterschaut
Steve Kaczynski & Scott Duke Kominers
Meer Opinie