1 op de 6 Belgen loopt risico op armoede, meldt Statbel


Key takeaways

  • Meer dan 1,9 miljoen Belgen lopen risico op armoede of sociale uitsluiting, wat neerkomt op 16,5 procent van de bevolking in 2025.
  • Ondanks een stijgende armoedegrens neemt de monetaire armoede in België af door inkomensstijgingen bij bepaalde huishoudens.
  • Subjectieve armoede, gemeten aan de hand van iemands perceptie van financiële moeilijkheden, overlapt in belangrijke mate met objectieve armoede-indicatoren, maar brengt ook regionale en demografische verschillen aan het licht.

Meer dan 1,9 miljoen Belgen lopen het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat is 16,5 procent van de Belgische bevolking in 2025, volgens de laatste resultaten van de enquête naar inkomen en levensomstandigheden (SILC) van Statbel, het Belgische bureau voor de statistiek. De enquête beoordeelt jaarlijks verschillende indicatoren met betrekking tot armoede, inkomensongelijkheid en levensomstandigheden.

Definitie van armoederisico

Om als armoederisico of sociaal uitgesloten (AROPE) te worden beschouwd, moet een persoon met ten minste één van de volgende drie situaties worden geconfronteerd: een risico op monetaire armoede (AROP), leven in een huishouden met een lage arbeidsintensiteit (LWI) of ernstige materiële en sociale achterstand (SMSD).

In 2025 had 10,9 procent van de Belgische bevolking een beschikbaar inkomen onder de armoedegrens (AROP). Nog eens 11,0 procent leefde in huishoudens waar volwassenen in de werkende leeftijd de afgelopen 12 maanden minder dan 20 procent van hun potentieel werkten (LWI), terwijl 4,9 procent te maken had met ernstige materiële en sociale deprivatie, wat betekent dat ze moeite hadden om essentiële dagelijkse uitgaven te betalen, zoals rekeningen, het vervangen van versleten meubilair of regelmatig uitgaan (SMSD).

Regionale verschillen

Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen de Belgische gewesten: Brussel heeft consequent de hoogste niveaus van armoede en sociale uitsluiting, gevolgd door Wallonië. Vlaanderen heeft de laagste percentages voor alle indicatoren.

In de loop van de tijd hebben deze vier indicatoren licht uiteenlopende trends laten zien: De AROPE-indicator (risico op armoede of sociale uitsluiting) daalde van 20,1 procent in 2019 tot 18,3 procent in 2024 en 16,5 procent in 2025. De LWI-indicator (lage arbeidsintensiteit) daalde van 12,9 procent in 2019 tot 11,4 procent in 2024 en 11,0 procent in 2025. Ook de SMSD-indicator (ernstige materiële en sociale deprivatie) daalde van 6,2 procent in 2019 en 2024 tot 4,9 procent in 2025. De AROP-indicator (risico op monetaire armoede) daalde van 14,8 procent in 2019 tot 11,4 procent in 2024 en 10,9 procent in 2025.

Armoedegrens

De armoedegrens blijft stijgen, wat een weerspiegeling is van de algemene stijging van het gemiddelde Belgische inkomen. Voor een alleenstaande bedraagt de drempel nu 18.780 euro per jaar (1.565 euro per maand), tegenover 1.522 euro in 2024. Voor een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen ten laste stijgt dit maandbedrag tot 3.287 euro, tegenover 3.197 euro in 2024. Ondanks de stijgende armoedegrens neemt de monetaire armoede (AROP) niet toe en daalt ze van 11,4 procent in 2024 tot 10,9 procent in 2025. Dit kan worden toegeschreven aan inkomensstijgingen voor bepaalde huishoudens als gevolg van loon- en pensioenindexering.

Subjectieve armoede

Subjectieve armoede meet of de referentiepersoon van een huishouden financiële moeilijkheden ondervindt. Deze benadering richt zich op de perceptie van het huishouden van zijn financiële situatie, in plaats van op een vooraf bepaalde inkomensdrempel. Ze vormt een aanvulling op objectieve armoede-indicatoren door licht te werpen op de ervaring van financiële beperkingen, die niet altijd overeenstemmen met de gemeten monetaire armoede.

Factoren die van invloed zijn op subjectieve armoede zijn onder meer de levensomstandigheden, financiële lasten, verwachtingen en sociale normen. In 2025 liep 15,5 procent van de Belgische bevolking het risico op subjectieve armoede.

Overlap met objectieve armoede

Subjectieve armoede vertoont een aanzienlijke overlap met de vier belangrijkste AROPE-indicatoren: 50,2 procent van degenen die het risico lopen op armoede of sociale uitsluiting (AROPE) identificeerde zichzelf als subjectief arm. Dit percentage bedroeg 48,7 procent voor mensen die met monetaire armoede (AROP) te maken hadden, 53,6 procent voor mensen die in huishoudens met een lage arbeidsintensiteit (LWI) leefden en 85,7 procent voor mensen die ernstige materiële en sociale achterstand (SMSD) ondervonden.

Subjectieve armoede lijkt sterk verband te houden met materiële en sociale achterstand, hoewel het inkomensniveau een cruciale factor blijft, zoals blijkt uit de verdeling over de inkomenskwintielen.

Verdere determinanten van subjectieve armoede

Bovendien vertoont subjectieve armoede regionale verschillen: een hogere prevalentie in Brussel (29,4 procent) in vergelijking met Wallonië (21,9 procent) en Vlaanderen (9,4 procent). Ook de arbeidssituatie speelt een rol: 9,1 procent van de werkenden ervaart subjectieve armoede, tegenover 39,3 procent van de werklozen en 27,1 procent van de andere inactieven.

Het type huishouden is van belang: eenoudergezinnen (28,1 procent) hebben te maken met hogere percentages dan huishoudens met twee volwassenen onder de 65 jaar (11,3 procent).

Ten slotte is er een sterk verband tussen opleidingsniveau en subjectieve armoede: er zijn hogere percentages te vinden onder mensen met een lager opleidingsniveau (25,2 procent) dan onder mensen met een gemiddeld (16,4 procent) of hoog (8,1 procent) opleidingsniveau. (sv) (uv)

Volg Business AM ook op Google Nieuws

Wil je toegang tot alle artikelen, geniet tijdelijk van onze promo en abonneer je hier!

Meer

Ontvang de Business AM nieuwsbrieven

De wereld verandert snel en voor je het weet, hol je achter de feiten aan. Wees mee met verandering, wees mee met Business AM. Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en houd de vinger aan de pols.