Wat en waarom we uit de Kleine IJstijd kunnen leren over de klimaatrampen van nu

De jongste weken zijn we keihard geconfronteerd met de catastrofale gevolgen van de klimaatverandering. Het klimaat op aarde is al duizenden jaren lang niet zo snel of ingrijpend veranderd als vandaag. Maar op kleinere schaal hebben mensen eerder golven van extreme weersomstandigheden gezien die samenvielen met temperatuurveranderingen. Het gebeurde tijdens wat bekend staat als de Kleine IJstijd, een periode tussen de 14e en 19e eeuw bijvoorbeeld. We hebben steeds beter zicht op wat die veroorzaakte en wat de gevolgen waren. En daaruit kunnen we lessen trekken voor wat we momenteel meemaken.

Waarom is dit belangrijk?

Zelfs een kleine wereldwijde klimaatverandering - veel kleiner van wat we nu ondergaan - veranderde de kans op extreem lokaal weer drastisch en leidde tot immense rampen. En zelfs de instorting van rijken.

In de afgelopen weken hebben catastrofale overstromingen steden in ons land, Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Italië overspoeld, metrotunnels in China onder water gezet, Noordwest-Afrika getroffen en dodelijke aardverschuivingen veroorzaakt in India en Japan. Hitte en droogte wakkerden bosbranden aan in het Noord-Amerikaanse Westen en Siberië, droegen bij aan watertekorten in Iran en verergerden hongersnoden in Ethiopië, Somalië en Kenia.

Extremen zoals deze worden in toenemende mate veroorzaakt of verergerd door menselijke activiteiten die het klimaat op aarde opwarmen. Het klimaat op aarde is al duizenden jaren lang niet zo snel of ingrijpend veranderd als vandaag. Maar op kleinere schaal hebben mensen eerder golven van extreme weersomstandigheden gezien die samenvielen met temperatuurveranderingen. Het gebeurde tijdens wat bekend staat als de Kleine IJstijd, een periode tussen de 14e en 19e eeuw die werd gekenmerkt door grote vulkaanuitbarstingen en bittere koude periodes in delen van de wereld.

Amper een halve graad verschil

De wereldwijde gemiddelde temperatuur zou in de koudste decennia van de Kleine IJstijd met amper minder dan een halve graad Celsius zijn afgekoeld, maar zelfs dat leidde lokaal tot enorme extremen. In dagboeken en brieven uit die periode schreven mensen over “jaren zonder zomer”, toen het winterweer tot ver na de lente aanhield.

In zo’n zomer, in 1816, verwoestte de kou die volgde op een enorme vulkaanuitbarsting in Indonesië gewassen in delen van Europa en Noord-Amerika. Minder bekend zijn de ongewoon koude Europese zomers van 1587, 1628 en 1675, die allemaal leidden tot hongersnood. “Het is verschrikkelijk koud. Het gedrag van de zon en van de seizoenen is veranderd”, schreef schrijfster Marie de Rabutin-Chantal in 1675 in Parijs.

Winters konden even angstaanjagend zijn. Mensen meldden 17e-eeuwse sneeuwstormen tot ver in het zuiden. Op plaatsen als Florida en de Chinese provincie Fujian zelfs. Zee-ijs zette schepen vast en rivieren van de Bosporus tot de Maas bevroren. Begin 1658 bedekte het ijs de Baltische Zee zo volledig dat een Zweeds leger over het water marcheerde om Kopenhagen te belegeren. Gedichten en liedjes suggereren dat mensen gewoon doodvroren terwijl ze ineengedoken in hun huizen zaten.

We weten veel over de Kleine IJstijd omdat de natuurlijke wereld vol zit met dingen zoals bomen, stalagmieten en ijskappen die reageren op het weer terwijl ze groeien of zich geleidelijk ophopen. Specialisten kunnen fluctuaties in hun groei of chemische samenstelling uit het verleden gebruiken als indicatoren voor klimaatschommelingen en daarmee grafieken of kaarten maken – reconstructies die historische klimaatveranderingen laten zien.

Kleine mondiale trends kunnen veel grotere lokale veranderingen maskeren

Deze reconstructies laten zien dat golven van afkoeling een groot deel van de wereld overspoelden tussen de 14e en de 19e eeuw. Ze suggereren ook waarschijnlijke oorzaken – waaronder een reeks explosieve vulkaanuitbarstingen die zonlichtverstrooiend stof in de stratosfeer spuwden; maar ook variabiliteit in regionale patronen van atmosferische en oceanische circulatie. Die dingen konden de aarde echter slechts enkele tienden van een graad Celsius afkoelen tijdens de koudste golven van de Kleine IJstijd. En de afkoeling was lang niet zo consistent als de huidige opwarming.

Kleine mondiale trends kunnen veel grotere lokale veranderingen maskeren. Studies hebben gesuggereerd dat een bescheiden afkoeling door vulkaanuitbarstingen het gebruikelijke contrast tussen temperaturen over land en zee kan verminderen, omdat land sneller opwarmt en afkoelt dan oceanen. Omdat dat contrast de moessons aandrijft, kunnen de Afrikaanse en Oost-Aziatische zomermoessons verzwakken na grote uitbarstingen. Dat verstoorde waarschijnlijk de atmosferische circulatie helemaal tot aan de Noord-Atlantische Oceaan, waardoor de stroom warme lucht naar Europa werd verminderd. Dit is de reden waarom delen van West-Europa bijvoorbeeld met meer dan 3 graden Celsius afkoelden, terwijl de rest van de wereld veel minder afkoelde in het jaar 1816, het fameuze “jaar zonder zomer”.

Feedbackloops versterkten de regionale afkoeling en hielden ze ook in stand, vergelijkbaar met hoe ze de regionale opwarming vandaag versterken. In het noordpoolgebied kunnen koelere temperaturen bijvoorbeeld meer en langduriger zee-ijs betekenen. IJs reflecteert meer zonlicht terug de ruimte in dan water, en die feedbacklus leidt tot meer koeling, meer ijs, etc etc. Als gevolg hiervan hadden de relatief bescheiden klimaatveranderingen van de Kleine IJstijd waarschijnlijk ingrijpende lokale gevolgen.

Rampzalige overstromingen bij ons en de val van een beschaving

Veranderende patronen van atmosferische circulatie en druk leidden in veel regio’s ook tot opmerkelijk nat, droog of stormachtig weer. Storm tracks zijn de relatief smalle zones in zeeën en oceanen waar stormen voortbewegen, aangedreven door de heersende winden. Een opstapeling van zee-ijs in de Groenlandse Zee kan de Noord-Atlantische storm track naar het zuiden hebben omgeleid, waardoor zware stormen Nederland en België troffen. Duizenden mensen kwamen om tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 langs de Duitse en Nederlandse kust, en opnieuw in de Kerstvloed van 1717. Zware neerslag en water dat zich achter dammen van smeltend ijs verzamelde, overweldigde herhaaldelijk ontoereikende waterkeringen en zorgde voor overstromingen in Midden- en West-Europa.

De afkoelende zee-oppervlaktetemperaturen in de Noord-Atlantische Oceaan leidden waarschijnlijk ook de winden rond de evenaar die de monsoons veroorzaken naar het zuiden, waardoor droogtes ontstonden die de waterinfrastructuur van het 15e-eeuwse Angkor in Cambodja ondermijnden, wat mee leidde tot de val van het het machtigste en welvarendste rijk in Zuidoost-Azië, waarvan de techniek, kunst en architectuur ongeëvenaard was.

Misschien als gevolg van de bescheiden afkoeling van vulkanische stofsluiers, leidden verstoorde patronen van atmosferische circulatie in de 16e eeuw tot ernstige droogtes die bijdroegen aan voedseltekorten in het Ottomaanse rijk. In 1640 droogde het grote kanaal langs waar de stad Peking haar voedsel kreeg aangevoerd gewoon op. En een korte maar felle droogte in 1666 prepareerde de houten infrastructuur van Europese steden klaar voor een golf van catastrofale stadsbranden.

Er waren wel degelijk gemeenschappen die het beter deden dan andere

Tegenwoordig gaat de temperatuurverschuiving de andere kant op – met wereldwijde temperaturen die al meer dan 1 graad Celsius hoger zijn dan vóór het industriële tijdperk, en lokale, soms verwoestende, extremen die zich nu overal ter wereld voordoen. We moeten ook beseffen dat de door de mens veroorzaakte klimaatverandering nog vele decennia duren nadat landen hun uitstoot van broeikasgassen hebben verminderd – wat ze hopelijk gaan doen, hoewel we daar nog steeds niet lijken uit te zijn. Daarom moeten gemeenschappen zich aanpassen aan een hetere en minder bewoonbare planeet. Naties en gemeenschappen zouden kunnen leren van enkele van de succesverhalen van de Kleine IJstijd. Want er waren wel degelijk gemeenschappen die het beter deden dan andere. Ze zorgden voor hun armen, richtten diverse handelsnetwerken op, migreerden uit kwetsbare omgevingen en pasten zich vooral proactief aan aan de nieuwe omgevingsrealiteit.

Plus: mensen die de Kleine IJstijd hebben meegemaakt, hadden niet de belangrijkste hulpbron die tegenwoordig beschikbaar is: de wetenschap en het vermogen om te leren van de lange wereldwijde geschiedenis van menselijke reacties op klimaatverandering.

Lees ook: Dit is ook klimaatverandering: hoe recordhittegolven nu al zorgen voor groeiende onrust in Midden-Oosten

Lees ook: Hoe de mensheid 74.000 jaar geleden heel veel geluk had

Meer
Lees meer...
Markten