Racisme barst: wetenschap veegt concept ‘ras’ van tafel

Genetisch onderzoek heeft de laatste tien jaar twee diepe waarheden over de mensheid onthuld. De eerste is dat alle mensen, welke huidskleur ze ook hebben, nauw verwant zijn. Daarnaast blijkt ons idee van wie onze voorouders waren en hoe ze eruitzagen van geen kanten te kloppen.

Bij mensen, zoals bij alle diersoorten, zijn genetische veranderingen het gevolg van willekeurige mutaties – kleine aanpassingen aan het DNA, de levenscode. Mutaties vinden plaats met een min of meer constante snelheid, dus hoe langer een groep generatie na generatie haar genen doorgeeft, hoe meer mutaties die genen zullen accumuleren. En hoe langer twee groepen van elkaar gescheiden zijn, hoe meer onderscheidende mutaties ze zullen verwerven.

Door de genen van hedendaagse Afrikanen te analyseren, hebben onderzoekers geconcludeerd dat de Khoe-San, die in zuidelijk Afrika wonen, een van de oudste takken van de menselijke stamboom vertegenwoordigen. De pygmeeën van Midden-Afrika hebben ook een zeer lange geschiedenis als een aparte groep. Wat dat betekent, is dat de diepste splitsingen in de menselijke familie niet samenvallen tussen wat gewoonlijk als verschillende rassen beschouwd wordt – blanken, zwarten, Aziaten of indianen. De grootste verschillen bevinden zich tussen Afrikaanse bevolkingsgroepen zoals de Khoe-San en de pygmeeën, die tienduizenden jaren van elkaar gescheiden doorbrachten.

Alle niet-Afrikanen vandaag, zo leren we uit de genetica, stammen af van een paar duizend mensen die misschien 60.000 jaar geleden Afrika verlieten. Die migranten waren het nauwst verwant aan groepen die tegenwoordig in Oost-Afrika wonen, waaronder de Hadza van Tanzania. Omdat ze slechts een kleine subset van de Afrikaanse bevolking waren, namen de migranten slechts een fractie van hun genetische diversiteit mee.

Seks onderweg

Ergens onderweg, wellicht in het Midden-Oosten, ontmoetten de reizigers elkaar en hadden ze seks met een andere menselijke soort: de neanderthalers. Verder naar het oosten kwamen ze nog een andere soort tegen, de denisovamensen.

Hun nakomelingen verspreidden zich over de hele wereld. 50.000 jaar geleden bereikten ze Australië. 45.000 jaar geleden vestigden ze zich in Siberië en 15.000 jaar geleden in Zuid-Amerika. Terwijl ze naar verschillende delen van de wereld verhuisden, vormden ze nieuwe groepen die geografisch van elkaar geïsoleerd werden en die hun eigen kenmerkende set genetische mutaties verwierven.

Een genetische mutatie heeft er 8.000 jaar geleden voor gezorgd dat Tibetanen kunnen overleven in de ijle lucht van het Tibetaans Hoogland.

Af en toe ontstond een mutatie die in een nieuwe omgeving voordelig bleek te zijn. Op grote hoogten, bijvoorbeeld, zijn de zuurstofgehaltes laag, dus voor mensen die naar het Ethiopisch Hoogland, Tibet of het Hoogland van de Andes verhuisden, waren er mutaties die hen hielpen om te gaan met de ijle lucht. Evenzo hebben de Inuit-mensen, met een op de zee gebaseerd dieet met veel vetzuren, genetische aanpassingen ondergaan die hen geholpen hebben om zich aan te passen aan hun omgeving.

Mutaties

DNA wordt vaak vergeleken met een tekst, een code, waarbij de letters staan voor chemische basen – A voor adenine, C voor cytosine, G voor guanine en T voor thymine. Het menselijke genoom bestaat uit drie miljard basenparen – pagina na pagina van A’s, C’s, G’s en T’s – verdeeld in grofweg 20.000 genen. De mutatie die Oost-Aziaten dikker haar geeft, is één enkele basenverandering in één enkel gen, van een T naar een C.

Op dezelfde manier is de mutatie die het meest verantwoordelijk is voor het lichter maken van de huid van Europeanen één enkele mutatie in één gen dat SLC24A5 heet en dat uit ongeveer 20.000 basenparen bestaat. Op een positie waar de meeste Afrikanen uit de Sahara een G hebben, hebben Europeanen een A. Bij het bestuderen van DNA uit oude beenderen, hebben paleogenetici nog maar heel onlangs ontdekt dat de G-naar-A-substitutie (‘het blanker worden’) relatief recent in West-Europa geïntroduceerd werd –ongeveer 8.000 jaar geleden – door mensen die uit het Midden-Oosten migreerden. Zij brachten ook een nieuwe technologie: landbouw. Dat betekent dat de mensen in Europa – jagers-verzamelaars die bijvoorbeeld de spectaculaire grotschilderingen in Lascaux gemaakt hebben – waarschijnlijk niet wit maar zwart waren. Het oude DNA suggereert bovendien dat veel van die zwarte Europeanen ook blauwe ogen hadden, een combinatie die je tegenwoordig zelden ziet.

Ebbenhout, koper en vitamine D

Wereldwijd is huidskleur tegenwoordig erg variabel. Veel van het verschil hangt samen met de breedtegraad. Rond de evenaar is een donkere huid een nuttig schild tegen UV-stralen; aan de polen, waar weinig zon is, bevordert een lichtere huid de productie van vitamine D.

Verschillende genen werken samen om de huidtint te bepalen, en verschillende groepen kunnen een aantal combinaties van verschillende tweaks bezitten. Sommige Afrikanen, zoals de Mursi van Ethiopië, hebben een huid die bijna ebbenhout is, terwijl andere, zoals de Khoe-San, de huid van koper hebben. Veel donkere Oost-Afrikanen bleken tot de verrassing van de onderzoekers te beschikken over de lichte huidvariant van SLC24A5. Die lijkt geïntroduceerd te zijn in Afrika, net zoals in Europa, vanuit het Midden-Oosten. Oost-Aziaten hebben op hun beurt over het algemeen een lichte huid, maar bezitten de donkere versie van het gen.

Dat de oorspronkelijke Britten (en bij uitbreiding West-Europeanen) zwart waren, viel blijkbaar voor nogal wat mensen moeilijk te slikken.

Huidskleur blijkt trouwens wetenschappelijk gecompliceerder te zijn dan eerst vermoed werd. Er zijn meer dan honderdtwintig genen betrokken bij pigmentatie bij zoogdieren. Onze huid krijgt haar kleur van verschillende pigmenten, waarvan de belangrijkste eumelanine is, beter bekend als melanine. Deze molecule kleurt niet alleen de huid, ze geeft vogels de kleur van hun veren, vissen de textuur van hun schubben, inktvissen de zwartheid van hun inkt. Ze speelt zelfs een rol bij het bruin worden van fruit. Melanine wordt geproduceerd in melanocyten. We hebben allemaal, ongeacht ons ras, hetzelfde aantal melanocyten. Het verschil zit in de hoeveelheid geproduceerde melanine.

Drie keer van wit naar zwart

Huidskleur is een klassiek voorbeeld van wat we convergente evolutie noemen – dat wil zeggen, vergelijkbare resultaten die zich op twee of meer locaties ontwikkeld hebben. De mensen in bijvoorbeeld Sri Lanka en Polynesië hebben een lichtbruine huid, niet vanwege een directe genetische link, maar omdat ze die onafhankelijk ontwikkeld hebben om om te gaan met de omstandigheden waarin ze leefden. Vroeger dacht men dat depigmentatie waarschijnlijk tien- tot twintigduizend jaar duurde, maar nu weten we dankzij de genomica dat het veel sneller gebeurt – in waarschijnlijk slechts twee- of drieduizend jaar. We weten ook dat dat herhaaldelijk gebeurd is.

Een lichtgekleurde huid is minstens drie keer geëvolueerd op aarde.

Inheemse bevolkingsgroepen in Zuid-Amerika hebben bijvoorbeeld een lichtere huid dan je zou verwachten gezien de breedtegraden die ze bewonen. Dat komt omdat in evolutionaire termen ze recent (‘nog maar’ 15.000 jaar geleden) aangekomen zijn. Ze hadden ook kleding en in feite hebben ze de evolutie gedwarsboomd. Maar dat wil niet zeggen dat alles te verklaren is. Het Khoe-Sanvolk in zuidelijk Afrika heeft altijd onder een woestijnzon geleefd en is nog nooit over een grote afstand gemigreerd, maar heeft toch een 50 procent lichtere huid dan door hun omgeving voorspeld zou worden. Het lijkt er nu op dat een genetische mutatie voor een bleke huid de jongste tweeduizend jaar door buitenstaanders geïntroduceerd is. Maar wie die mysterieuze buitenstaanders waren, is onbekend.

Een lichtgekleurde huid is minstens drie keer geëvolueerd op aarde. Naarmate mensen een lichtere huid ontwikkelden, kregen ze ook lichter gekleurde ogen en haar – maar dat gebeurde pas vrij recent. Lichtere ogen en haren evolueerden ergens rond de Baltische Zee ongeveer 6.000 jaar geleden. Het is niet duidelijk waarom. Haar- en oogkleur hebben namelijk geen invloed op het vitamine D-metabolisme, of iets anders fysiologisch, dus er lijkt geen praktisch voordeel te zijn. Eén veronderstelling is dat die eigenschappen door natuurlijke selectie verkregen zijn omdat mensen dat aantrekkelijker vonden. Als je blauwe of groene ogen hebt, is dat niet omdat je meer van die kleuren in je irissen hebt dan andere mensen, maar gewoon minder van andere kleuren. Het is de schaarste aan andere pigmenten die de ogen blauw of groen doen lijken.

Cheddar Man

Blauwe ogen brengen ons bij Cheddar Man. Zodra hij in 1903 in grotten in de Cheddar-kloof in Somerset ontdekt werd en de naam ‘Cheddar Man’ kreeg, begonnen mensen zich af te vragen hoe hij eruitgezien moet hebben. Ze wilden een van onze vroege voorouders – we weten nu dat Cheddar Man 10.000 jaar geleden leefde – een gezicht geven. Archeologen konden alvast vertellen dat hij naar moderne maatstaven klein was, dat hij waarschijnlijk een goed gebalanceerd dieet at en dat hij ongeveer twintig jaar oud was toen hij stierf. Een speculatieve reconstructie liet zien dat hij een witte huid had, met roze wangen en een bruine snor. Maar zijn werkelijke uiterlijk bleef een mysterie.

Tegen 2010 was de genetica genoeg ontwikkeld om DNA-stalen uit oude skeletten (een bot net achter het oor bleek daarvoor het meest geschikt te zijn) te gebruiken om het genoom van overleden mensen te reconstrueren. De jongste tien jaar werden duizenden skeletten van over de hele wereld geanalyseerd, waaronder ook die van Cheddar Man.

In 2018 onthulden wetenschappers van het Natural History Museum en University College London het resultaat: Cheddar Man had waarschijnlijk blauwe ogen en krullend haar. Dat was op zich niet zo verrassend. Maar in zijn botten zat ook de genetische signatuur van huidpigmentatie die voorkomt in Afrika ten zuiden van de Sahara. Of: Cheddar Man zou een donkere huid gehad hebben. Zo donker zelfs dat hij volgens de huidige normen als zwart beschouwd zou worden. Het veroorzaakte veel ophef. Dat de oorspronkelijke Britten (en bij uitbreiding West-Europeanen) zwart waren, viel voor nogal wat mensen moeilijk te slikken. Op extreemrechtse websites werden de resultaten van het onderzoek meteen in twijfel getrokken: de onderzoekers hadden het gewoon mis, luidde het.

Wanneer wetenschappelijke reconstructies gemaakt worden van vroegere menselijke soorten, zoals homo erectus, krijgen die bijna altijd een donkere huid. Maar volgens steeds meer paleogenetici is de veronderstelling dat onze soort oorspronkelijk zwart was gewoon fout.

Cheddar Man en zijn tijdgenoten waren het bewijs dat er niets eeuwigs of puurs aan ras kon zijn, want ooit, niet zo heel lang geleden in evolutionaire termen, leken de meeste mensen op aarde niet op ‘ons’.

Als wetenschappelijke reconstructies gemaakt worden van vroegere menselijke soorten, zoals homo erectus, krijgen die bijna altijd een donkere huid. Maar volgens steeds meer paleogenetici is de veronderstelling dat onze soort oorspronkelijk zwart was gewoon fout. En omgekeerd dachten we foutief dat Cheddar Man, de ‘eerste Engelsman’, wit was, terwijl die een zwarte huidskleur had.

‘Het verleden is heel verrassend’, zegt ook David Reich, geneticus aan de Harvard University. ‘Het is helemaal niet zoals het bij de meeste mensen in hun hoofd zit.’

De eeuwig durende remix

Het is trouwens verrassend hoe wereldwijde migratiepatronen door de eeuwen heen echt werkten. We hebben op school geleerd dat mensen zich vanuit Afrika verspreidden en begonnen te splitsen, zoals takken van een boom. Nadat ze ergens beland waren, bleven mensen op hun plaats. Dat was tot enkele jaren geleden de gangbare veronderstelling. Maar het bewijs dat nu naar voren komt, suggereert iets heel anders. Uit DNA-analyse werd heel duidelijk dat het ware menselijke verhaal niet eentje is van zuivere rassen die al die tienduizenden jaren op één plaats geworteld zijn, maar eentje van constant mengen, met constante immigratie en emigratie. De gekoesterde overtuiging dat mensen op bepaalde plaatsen er millennialang hetzelfde uitgezien hebben, moet wijken voor het begrip dat migratie de wereld tot een smeltkroes gemaakt heeft lang voor de multiculturele samenlevingen die we vandaag hebben. Onze wortels vallen niet terug te brengen tot een geordende stamboom. Onze voorouders vertakten zich, maar kwamen terug en hermixten in het verleden. Opnieuw en opnieuw.

De reconstructie van Cheddar Man. Zijn skelet -in 1903 ontdekt- is het oudste volledige geraamte van het Verenigd Koninkrijk.

Het klokbekervolk maakte bijvoorbeeld deel uit van een veel eerdere, grotere en langere migratie vanuit Centraal-Eurazië naar veel verschillende uithoeken van de wereld; archeologen noemen die mensen de Jamna. Ze waren veehouders met wagens en paarden die hen mobiel maakten op een manier die misschien nog nooit eerder gezien was. Hun dieet was rijk aan vlees en zuivelproducten. Vanaf ongeveer 7.000 jaar geleden, over een tijdspanne van twee millennia, trokken de Jamna naar het westen en zuidoosten, niet alleen naar Europa maar ook zo ver als Noord-India. Ze brachten het wiel mee. Taalkundigen zien overeenkomsten tussen de Europese en de Indiase talen en beschreven ze als Indo-Europese talen. De genetica heeft nu de harde gegevens aan de geschiedenis toegevoegd. Bijna alle Indiërs vandaag zijn genetisch verbonden met Europeanen door hun voorouders die de Jamnacultuur verspreidden.

Wat onderzoek als dat van Reich de jongste jaren duidelijk maakte, is dat onze gehechtheden aan plaatsen en hun overblijfselen en de oude verhalen die ons vertellen wie ‘onze mensen’ waren, heroverwogen moeten worden. ‘Onze mensen’ waren eigenlijk migranten op een plaats die door andere mensen bezet werd. De relieken zijn van hen, niet van ons.

De idee van ‘ras’ is dus een leugen. Zoals de American Society of Human Genetics, de grootste professionele organisatie van wetenschappers in het veld, in een essay uitlegt: ‘De wetenschap van genetica toont aan dat mensen niet onderverdeeld kunnen worden in biologisch verschillende subcategorieën. Dat wordt ondertussen gevalideerd door vele decennia van onderzoek. Met andere woorden, het idee van ‘ras’ is een sociale constructie zonder enige wetenschappelijke basis.’

Ook het verhaaltje dat racisme iets is van alle tijden, klopt niet. Het idee dat de hele mensheid in vier of vijf (dat is waar het doorgaans op neerkomt) raciale groepen verdeeld kan worden, is relatief nieuw. De oude Grieken bijvoorbeeld beschouwden zichzelf nooit als ‘blank’. Grieken dachten gewoon niet dat de wereld verdeeld was in de raciale lijnen die de meesten onder ons nu hanteren, en ze vonden zichzelf al zeker niet de mooiste mensen.

Waarom zwarte atleten sneller zijn (en waarom niet)

De Keniaanse marathonloper Wilson Kipsang tijdens de London Marathon in 2019. Foto: by Laura De Meo/REX

De moderne genetica laat dus duidelijk zien dat de manier waarop we ras gewoonlijk definiëren niet overeenkomt met de biologie. In plaats daarvan is ras een culturele taxonomie – een sociale constructie. Ras bestaat alleen omdat we het waarnemen. En we doen dat allemaal tot in zekere mate. Zo geloven de meeste mensen dat topsportsucces (vooral sporten zoals hardlopen) te maken heeft met afkomst. Of dat Oost-Aziatische studenten van nature beter zijn in wiskunde. Of dat Joden goed zijn met geld. De wetenschap anno 2020 zegt echter iets anders.

Neem dat lopen. Meer dan 90 procent van de top 20-prestaties op middellange- en langeafstandlopen zijn van zwarte mensen van Afrikaanse afkomst. Zijn ze er gewoon biologisch beter in? In feite is meer dan de helft van die prestaties in handen van Kenianen, meestal afkomstig van acht kleine stammen. Eén theorie is dat ze zich, na millennialang op grote hoogte gewoond te hebben, aangepast hebben om efficiënter zuurstof te gebruiken tijdens het hardlopen. Maar studies hebben geen genetische mutaties gevonden die die prestaties verklaren. Onderzoekers denken nu dat het antwoord eerder sociologisch is.

Of neem deze: de laatste blanke Olympische 100 meter-finalist die won, was Allan Wells in 1980, een jaar waarin de VS het evenement boycotte. Dat was ook de laatste keer dat blanke mannen deelnamen aan de finale, vijf in totaal. Het vormt de basis van een veronderstelling dat zwarte mensen – en meer in het bijzonder Afrikaanse Amerikanen, Jamaicanen of Canadezen – een biologisch voordeel hebben bij explosieve energiesporten.

Allan Wells (links) en Cameron Sharp oefenen voor de 4×100 meter in Moskou, juli 1980. Foto: AP Photo

Helaas zijn topsporters een hopeloze steekproef om generalisaties over populaties te maken – ze zijn op zich al wonderbaarlijke uitschieters. De steekproefomvang is ook hopeloos: het totale aantal atleten dat deelgenomen heeft aan de 100 meter olympische finale sinds Wells het goud pakte, is 58.

Het argument is dat eeuwenlange slavernij geresulteerd heeft in een selectie voor explosieve energiegenen (waarover we heel weinig weten). Nu, we kunnen tegenwoordig effectief uitzoeken of die mutaties in het genoom van zwarte Amerikanen plaatsgevonden hebben. En wat blijkt? Een onderzoek uit 2014 van het DNA van 29.141 Afro-Amerikanen vertoonde geen tekenen van selectie voor die explosieve energiegenen in het hele genoom in de periode nadat hun voorouders uit hun Afrikaanse thuisland gehaald waren.

Het is een uitkomst die te voorspellen viel door wie even het grotere plaatje bekeek. Waarom domineren Oost-Europeanen het gewichtheffen, maar zijn ze afwezig in sprinten? Waarom domineren Afrikaanse Amerikanen het boksen, maar niet worstelen? Waar zijn alle zwarte spurters in het wielrennen? Hoe komt het dat in de 50 meter vrije slag bij het zwemmen in de hele geschiedenis van de Olympische Spelen, het aantal Afro-Amerikaanse finalisten … één is?

Het antwoord op de vraag is dat het waarschijnlijk een complexe samenloop van economische, sociologische, culturele of demografische oorzaken is, maar één ding is zeker: het is niet biologisch te verklaren. We zijn allemaal hetzelfde.

Meer
Lees meer...
Markten