In 1976 maakte de eerste vijfcilindermotor zijn opwachting in de Audi 100 (C2). Intern stond dit model bekend als Type 43 en deze auto moest zich positioneren in een hoger segment dan zijn voorganger. De viercilindermotoren van die tijd volstonden niet voor de ambities van de Audi-ingenieurs, die begin jaren zeventig dan ook zowel vijf- als zescilinders in lijn overwogen.
De zescilinders werden uiteindelijk geschrapt wegens hun formaat en de gewichtsverdeling. De keuze viel dus op de vijf-in-lijn. Toch begonnen de ingenieurs niet van nul: de nieuwe motor was gebaseerd op een viercilinder die al in verschillende modellen van de Volkswagen-groep gebruikt werd. Met een cilinderinhoud van 2.144 cm³ leverde het nieuwe blok 136 pk en het kreeg een modern injectiesysteem. De leveringen van de Audi 100 5E begonnen in maart 1977.
De komst van de Sport quattro
In 1978 lanceerde Audi zijn eerste dieselvariant: een atmosferische dieselmotor van twee liter met 51 kW (70 pk). Een jaar later volgde de eerste vijfcilinder turbobenzinemotor. Met 170 pk en 265 Nm koppel vond deze krachtbron zijn weg naar het nieuwe topmodel van het merk: de Audi 200 5T.
De vijfcilinder turbobenzinemotor van de eerste Audi quattro, gelanceerd in 1980, legde de lat nog hoger. Met turbo, intercooler en permanente vierwielaandrijving leverde hij 147 kW (200 pk). De Fin Hannu Mikkola pakte in 1982 de wereldtitel in het rallykampioenschap met deze wagen en werd in 1983 ook individueel kampioen.
Datzelfde jaar presenteerde Audi de Audi Sport quattro: een 24 cm kortere versie met bredere spoorbreedte, aangedreven door een nieuwe vijfcilinder in lichtmetaal met vierkleppentechniek en een vermogen van 225 kW (306 pk). Het was toen de krachtigste wagen die een Duitse constructeur ooit op de openbare weg had aangeboden. Deze Sport quattro vormde ook de basis voor een nieuwe Groep B-rallywagen, waarvan de vierkleppenmotor 450 pk leverde. Hij werd voor het eerst ingezet tijdens de voorlaatste rally van 1984, de Rally van Ivoorkust. De elf andere manches reed de Zweed Stig Blomqvist met de quattro A2 Groep B van 265 kW (360 pk), waarmee hij zowel de rijderstitel als het constructeurskampioenschap veroverde.
Het einde
Een nieuwe mijlpaal kwam er op het autosalon van Frankfurt in 1989, waar Audi de Audi 100 TDI voorstelde. Deze vijfcilinder turbodiesel met directe injectie en volledige elektronische aansturing leverde 120 pk uit een cilinderinhoud van 2,5 liter. Intussen bleef Audi ook de benzineversie van de vijfcilinder verder verfijnen. In 1994 kwam de RS2 Avant met 315 pk op de markt, het model dat het segment van de sportieve stationwagens creëerde.
Met de introductie van de Audi A4 (B5) in 1994 verdween de vijfcilinder uit het B-segment. Hij werd geleidelijk vervangen door V6-motoren. De laatste vijfcilinders – de 2.5 TDI in de A6 en de 2.2 turbo 20V in de S6 – gingen in 1997 uit productie.
Opmerkelijke terugkeer
In 2009, exact dertig jaar na de introductie van de eerste turbobenzine-vijfcilinder, maakte de motor een grote comeback met de TT RS: uit een inhoud van 2,5 liter haalde quattro GmbH maar liefst 250 kW (340 pk) uit een dwarsgeplaatste turbomotor met directe injectie. Deze krachtbron vond ook zijn weg naar de Audi RS 3 Sportback. De Audi TT RS plus, die in 2012 op de markt kwam, bracht het vermogen zelfs naar 265 kW (360 pk). En in 2013 was de Audi RS Q3 de eerste compacte SUV die dit motorblok kreeg, waarmee hij meteen een volledig nieuw segment opende.
In 2016 volgde een vernieuwde versie van de motor: dankzij gewichtsbesparing en minder interne wrijving slaagden de ingenieurs erin om 17% meer vermogen te halen bij dezelfde cilinderinhoud, wat resulteerde in een indrukwekkende 400 pk. Sinds 2021 wordt deze krachtbron opnieuw ingezet in de RS3.
Uniek geluid
Het rauwe geluid van de vijfcilinder zorgt voor een unieke rijervaring. Dat is te danken aan het oneven aantal cilinders en de bijzondere ontstekingsvolgorde 1-2-4-5-3. Afwisselend werken direct naast elkaar liggende en ver van elkaar gesitueerde cilinders met een ontstekingsinterval van 144 krukasgraden. Die specifieke volgorde geeft de 2.5 TFSI zijn kenmerkende ritme en klankkleur. Ook de geometrie van het uitlaatspruitstuk speelt mee: de verschillende stroomtijden van de uitlaatgassen tussen de uitlaatkleppen en de turbocompressor versterken het akoestische karakter. Het volledig variabele uitlaatkleppensysteem, geïntroduceerd in de derde generatie van de RS 3 Sportback en de tweede generatie van de Audi RS 3 Berline in 2021, vergroot de klankvariatie nog.
Hoewel er gevreesd werd dat de vijfcilinder zou sneuvelen onder druk van de CO₂-regelgeving, houdt deze motor dapper stand in de RS3 en ook in de Cupra Formentor VZ5, waarvan onlangs een gelimiteerde reeks van 4.000 exemplaren in productie ging. Hoelang deze uitzonderlijke krachtbron nog geproduceerd zal worden, weet niemand. Maar één ding is zeker: op de dag dat hij verdwijnt, verdwijnt ook een belangrijk stuk van Audi’s identiteit in de geschiedenisboeken van de auto-industrie.

