Even terug in de tijd: vier maanden geleden meldden we nog dat de markt van auto’s uit de jaren vijftig tot zeventig door een ware woestijn trok. De voornaamste reden? Verouderende liefhebbers die hun collectie opnieuw op de markt brengen, terwijl jongere verzamelaars hun interesse verleggen naar recentere modellen.
Een opleving op het einde van het seizoen?
Dat de markt het lastig heeft, werd nog maar eens bevestigd op de Osenat-veiling van 23 juni. Het was nochtans een ideaal moment (vlak voor de zomer): heel wat wagens bleven onverkocht en de biedingen bleven vaak aan de lage kant. Was dat het einde van het verhaal? Zeker niet wereldwijd. In augustus, tijdens de beroemde Monterey Car Week in Californië, gingen enkele respectabele klassiekers vlotjes over hun schatting heen – en hoe. Tijdens de vijf veilingen die week zagen we bijvoorbeeld een Fiat Dino Spider uit 1971 vertrekken voor 335.000 dollar, bijna het drievoud van zijn marktwaarde. Zelfde motor, ander formaat: een Dino 246 GTS wisselde van eigenaar voor meer dan één miljoen euro, opnieuw ver boven de gangbare prijs. Toegegeven, het ging om een perfect exemplaar met alle juiste opties, maar dat blijft een stevig bedrag.
Maar het meest indrukwekkende record werd gevestigd door een Ferrari 250 California uit 1961. Het ging dan ook om de meest begeerlijke uitvoering: korte wielbasis, afgedekte koplampen en een racemotor. De hamer van Gooding Christies viel uiteindelijk bij… 25,3 miljoen dollar. Denk je dat dit een uitzondering was? Vergeet het maar: ook een Jaguar Type C uit 1952 en een Aston Martin DB4 GT uit 1961 gingen allebei voor meer dan 3 miljoen dollar onder de hamer. Natuurlijk zijn dit speciale modellen, maar deze resultaten tonen aan dat vermogende verzamelaars de oudste klassiekers niet vergeten… en er nog altijd stevige bedragen voor neertellen.
En de meer betaalbare wagens?
Interessant, maar uiteraard staat dit los van de realiteit van de meeste verzamelaars, hoor ik je al denken. Hoe zit het dan met de meer ‘populaire’ auto’s? Dichter bij huis – en dat mag je letterlijk nemen – veilde het Franse huis Artcurial op 28 september de collectie van het Automobielmuseum van het Kasteel van Vernon. De loten waren gevarieerd, maar ze hadden allemaal één ding gemeen: ze moesten opgeknapt worden. En dat schrikt doorgaans af, want recent heeft de markt aangetoond dat hij pas goed presteert wanneer de voertuigen in onberispelijke staat verkeren.
Toch vielen er, ondanks al die factoren, een paar verrassingen te noteren. En niet zomaar kleine uitschieters: heel wat wagens gingen ruim boven hun hoogste schatting van de hand. Toegegeven, de inschattingen waren bewust aan de lage kant, maar toch vielen enkele resultaten op. Zo werd een Citroën Méhari uit 1974 verkocht voor 14.448 euro (geschat op 6.000 tot 10.000 euro), een Facellia ging voor 45.752 euro (schatting: 35.000 tot 45.000 euro), een Buick Super 8 uit 1948 haalde 10.836 euro (geschat tussen 3.000 en 5.000 euro) en een Mercedes-Benz 250 SE uit 1966 bracht 33.712 euro op, terwijl die tussen 15.000 en 25.000 euro was ingeschat.
De grootste verrassing? Een Maserati Sebring die al tien jaar stilstond en waarvan het injectiesysteem ontbrak. Voor veel verzamelaars reden genoeg om af te haken, zeker gezien de intimiderende zescilinder die rechtstreeks uit de racerij komt. En toch ging deze wagen voor bijna 10.000 euro méér dan de schatting, en haalde uiteindelijk bijna 100.000 euro.
Is het tij aan het keren?
Niet zo snel. Deze paar voorbeelden mogen ons zeker niet afleiden van het bredere beeld. Deze markt zit nog altijd in een neerwaartse spiraal en op enkele uitzonderingen na blijven de schattingen van auto’s uit de Trente Glorieuses bij veilingen dalen. Maar het bevestigt wel wat Belgische professionals al langer zeggen: als de prijs juist zit, dan worden de auto’s verkocht. Dat betekent dat de markt niet dood is en dat er nog altijd vraag is naar dit soort wagens. En dat geldt trouwens ook voor wagens van vóór de oorlog.
Een kleine anekdote om mee af te sluiten: ook de legendarische reeks Aston Martin DB4/5/6 uit de jaren zestig kent momenteel een stevige terugval, met verkoopprijzen die soms gehalveerd zijn in vergelijking met enkele jaren geleden. Toch zou daar binnenkort verandering in kunnen komen. Volgens Jakob Greisen, die geïnterviewd werd in het novembernummer (2025) van het Britse magazine Classic Cars, heeft een verzamelaar uit het Midden-Oosten onlangs zijn immense collectie Aston Martins in één klap verspreid over de Europese markt. Nochtans verkeerden sommige wagens in matige staat. Geen wonder dat dit de prijzen flink omlaag trok. Maar eens die collectie van de markt is en het aanbod weer gezonder en beperkter wordt, zou de waarde van deze schitterende klassiekers opnieuw kunnen stijgen.

