Hartjes alom met Valentijn. Maar waarom denken we dat liefde iets te maken heeft met onze tikker?

Met Valentijn verzuipen we in de hartjes, en het is ook één van de meest gebruikte emoji’s die we gebruiken om te laten zien dat we van iets houden. Maar liefde leeft niet in het hart, wel in onze hersenen. Dus: hoe komt het dat we zo overtuigd zijn van het tegendeel?

De irrelevantie van het hart voor liefde is ruimschoots aangetoond door harttransplantatiechirurgen. Ontvangers van een harttransplantatie worden niet verliefd op de minnaars van de overleden donoren, ondanks enkele Hollywoodscenario’s die daarop gebouwd zijn. Dit bewijst stellig dat waar liefde ook woont, dat niet in het hart is.

Verdere ondersteuning voor de echte thuis van de liefde komt van de neurowetenschap. Die laat zien dat liefde een complexe functie is, waar dingen komen bij kijken als beoordeling, doelgerichte motivatie, beloning, zelfrepresentatie en ons ideale lichaamsbeeld. Dingen die allemaal niet in het hart te vinden zijn.

Het is de schuld van de oude Egyptenaren

Historisch gezien kan de onjuiste toewijzing van liefde aan het hart worden herleid tot de oude Egyptenaren van het derde millennium voor Christus. Ze beschouwden het hart als de zetel van onze gedachten, ons geheugen, onze wil en al onze emoties. Harten, magen en darmen werden belangrijk geacht voor het hiernamaals, maar niet de hersenen. Vóór de begrafenis gooiden de oude Egyptenaren achteloos de hersenen weg, dus millennia lang kwamen farao’s dus hersenloos aan voor in het hiernamaals.

De wetenschapper aan wie de ontdekking van de relatie tussen de geest en de hersenen werd toegeschreven, was Alcmaeon (circa 520-450 voor Christus en mogelijk een student van Pythagoras) die in de Griekssprekende kolonie Kroton (Crotone van het huidige Zuid-Italië) woonde. We denken dat Alcmaeon tot zijn verbazingwekkende conclusie werd geleid door te observeren dat alle zintuigen via kanaalachtige structuren met de hersenen zijn verbonden. Tegenwoordig noemen we ze zenuwen. De ideeën van Alcmaeon geraakten tot op het het eiland Kos, waar Hippocrates (460-370 v.Chr.), de belangrijkste arts uit de oudheid, werkte. Hippocrates had een verbazingwekkend moderne visie: “Mannen zouden moeten weten dat uit de hersenen, en alleen uit de hersenen, onze genoegens, vreugden, lachen en grappen voortkomen, evenals ons verdriet, pijn, verdriet en tranen. Vooral daardoor denken, zien, horen en onderscheiden we het lelijke van het mooie, het slechte van het goede, het aangename van het onaangename…”

Plato en Aristoteles draaien de klok terug

Maar daarna ging het lange tijd bergafwaarts met ons begrip van de hersenen. Plato (429-347 v. Chr.) schreef aan ons brein de zetel van de rationele, onsterfelijke ziel toe. Maar in zijn tripartiete verdeling van de ziel verwarde hij de zaken en schreef aan het hart de emotionele ziel toe. De ergste klap voor de hersenen kwam van Aristoteles (384-322 v. Chr.), een leerling van Plato, de grootste klassieke bioloog en eerste anatoom. Aristoteles merkte op dat mensen de grootste hersenen hebben voor hun lichaamsgrootte, maar vreemd genoeg dienden volgens hem de hersenen alleen voor het letterlijk koelen van ons bloed. Hij plaatste de zetel van de ziel in het hart.

De opvattingen van Aristoteles werden als absurd afgedaan door Galenus (130-201 n.Chr.), een bewonderaar van Hippocrates die diende als arts van de Romeinse keizer Marcus Aurelius. Galenus stelde voor dat de geest zich in de ventrikels van de hersenen bevond en via de zenuwen sensorische informatie ontving en de spieren bestuurde. De cardiocentrische (Aristoteles) en encefalocentrische (Galen) theorieën van de psyche/geest/emoties bleven naast elkaar bestaan tot het begin van de moderne wetenschap.

We weten nu tenminste waar de liefde wél zit

De moderne wetenschap heeft niet alleen het hart als de zetel van liefde verworpen, maar boekt ook vooruitgang bij het identificeren van specifieke structuren in de hersenen die betrokken zijn bij de erotische, cognitieve, emotionele en gedragscomponenten van liefde. Het eerste grote werk over het onderwerp werd gepubliceerd in 2000. Onderzoekers bestudeerden de hersenactiviteit van mensen die diep verliefd waren via functionele MRI, terwijl de proefpersonen foto’s van hun partners bekeken (vergeleken met vrienden van vergelijkbare leeftijd en geslacht). Het caudate/putamen (hersengebied dat dopamine ontvangt en betrokken is bij beloning), het mediale insula (een multisensorisch gebied dat betrokken is bij de toewijzing van aandacht en controle van de hartslag) en het cortex cingularis anterior (een gebied dat betrokken is bij autonome regulatie, emotie en obsessief-compulsief gedrag) werden geactiveerd. De amygdala (een gebied dat betrokken is bij angst) werd gedeactiveerd.

Onderzoekers hebben deze observaties sindsdien uitgebreid door aan te tonen dat seksueel verlangen en liefde enkele gemeenschappelijke hersenstructuren rekruteren die lichamelijke sensaties, beloningsverwachtingen en sociale cognitie bevorderen.

Het idee dat liefde niet in het hart maar in de hersenen woont, is dus bewezen. Maar toch blijven we vasthouden aan de bedrieglijke cardiocentrische liefdestheorie. Het is ons zo eeuwen lang ingepeperd, door liedjes, poëzie, literatuur … En misschien maar beter ook: zo’n stel hersenen, het is geen zicht.

(kg)

Meer
Markten
Mijn Volglijst
Markten
BEL20